Wegduiken voor salvo Talibaan

Rust in Uruzgan is bedrieglijk, blijkt bij patrouille buiten Tarin Kowt

Het lijkt zo rustig, kilometers weg van het veilige Tarin Kowt. Totdat in dit
stukje van Uruzgan de Talibaan plotseling het vuur openen.


Opeens spat een rij steentjes op, een paar meter voor ons, onmiddellijk gevolgd
door het geluid van automatischgeweervuur.
Het komt uit de vallei en het is angstig dichtbij. De berg waar ik op zit wordt onder vuur
genomen door vier, misschien zes Talibaantrijders. „We zitten in een TIC [troops in
contact]”, schreeuwt korporaal Jan-Willem over de radio. Hij en de andere militairen hebben zich meteen op de grond laten vallen.
„Verzoek om luchtsteun.” Al na een paar seconden weten de mariniers waar het vuur vandaan komt. En ze vuren het ene salvo na het andere terug.
Mijn helm ben ik kwijt, de fotocamera ert op de keien. Op deze heuvel is niets om achter de schuilen. Geen bosje, geen muurtje.

Korporaal
Jan-Willem gebruikt zijn rugzak als dekking. Hij gooit me mijn helm toe: die had hij per ongeluk
zelf opgezet. Pfieuw, hoor ik een kogel over mijn hoofd scheren. Door de hoek die de heuvel
maakt, is het bovenop veiliger dan waar ik nu ben. Hoger op de heuvel schreeuwt een marinier: „kom
hierheen, blijf laag!” Kruipend bereik ik de ondiepe greppel waar hij in ligt. De adrenaline giert door
mijn lijf. Een scherpschutter legt aan, lost een schot op de strijders. En nog een. In de verte rennen mensen
naar een huis. „Ik heb geen PID!”, schreeuwt een militair. PID is positive identification: dat wil zeggen
dat het niet zeker is of de rennende man, die zo te zien geen wapen meer draagt, wel Talibaan is.
Het gevecht maakt duidelijk hoe bedrieglijk de rust hier is. Om drie uur in de ochtend vertrokken
twee pelotons Nederlandse mariniers, in totaal zestig man. Te voet. In het donker struikelen ze over
kuilen en opgedroogde irrigatiegeultjes. Achter de ‘patrouillebasis’, vooruitgeschoven post Tabar
in Uruzgan. Kilometers achter ons ligt Tarin Kowt. Daar fonkelen tientallen kleine lichtjes. De bracht Tarin Kowt verlichting.

Maar niet hier. Hier is het donker, hier zitten de Talibaan. Dit is het westelijk Dorashan-gebied.
Een dag eerder was tijdens een briefing al gewaarschuwd: mogelijk zijn er vijftien tot twintig vijandige
strijders in dit gebied. In een poging hun invloed te beknotten, gaan de mariniers op zoek
naar hun wapens, munitie en materialen om bermbommen mee te maken. Kapitein Stefan had mij voor het
gevecht verteld hoe ingewikkeld dit gebied in elkaar steekt. Terwijl opbouwprojecten in andere delen
van Uruzgan in meer of mindere mate van de grond komen, is er in dit westelijke Dorashan-gebied
amper vooruitgang geboekt. Een tekort aan water maakt het gebied arm, en dus inschikkelijk voor de
Talibaan. Die komen vanuit Pakistan naar dit gebied. Onderling zijn de dorpjes in West-Deh Rafshan
sterk verdeeld, waar de Talibaan dan weer gebruik van maken. „Het overgrote deel van de bevolking
hier heeft sympathie voor de Talibaan ”, zegt kapitein Stefan. „De bevolking verstopt wapens in
hun velden. Als wij dan aan de boeren vragen ‘hoe komen jullie hieraan?’ zeggen ze ‘geen idee’.”
Het is kwart over vier als een eerste zonnestraal voorzichtig over de bergen schijnt. Een hond
blaft, een ezel balkt.


We zijn bij het plaatsje Khorma. Er is net genoeg licht voor de genie om de zogeheten overwatch op
bermbommen te doorzoeken. De overwatch, bedoeld als relatief veilig overzichtspunt, ligt op een kale
heuvel. Samen met ongeveer tien militairen neem ik daar positie in. Vanaf de heuvel kijk ik toe hoe
de op het oog vredige vallei ontwaakt. Afghanen lopen hun lemen huizen uit. Ze kijken demilitairen
niet aan. Ook de man die bij een vorig bezoek nog zo vriendelijk thee kwam brengen, keurt de mariniers
dit keer geen blik waardig. Toch is de sfeer bij de mariniers ontspannen. Ze zetten hun helmen
af en smeren crackers als ontbijt. Met de verrekijker is goed te zien hoe hun collega’s verderop
voorbijgaande auto’s aanhouden en doorzoeken. Twee uur later komt er over de radio van kapitein der mariniers
Stefan een bericht binnen van de Talibaan. „De Mujahedeen hebben drie groepen coalition forces
waargenomen. Ze zeggen: „Er is werk aan de winkel”. Korporaal Jan-Willem verbreekt de stilte.
„Zo gaat het vaker. Negen van tien keer gebeurt er verder n i e t s.

” Kapitein Stefan: „Misschien is het een vertaalfout en hebben de Talibaan gezegd:
‘We zien drie groepen militairen,maar we gaan gewoon door met werken aan de winkel.’”

De mariniers lachen hard. Ik ook, en de spanning slinkt. Intussen, vlak onder ons in de
vallei, loopt een man in een zwart gewaad heen en weer. Hij belt met een gsm en verdwijnt dan tussen
de bomen. Twee andere mannen gaan langs deuren van huizen. Hun onwaarschijnlijk perfect witte
gewaden steken af tegen de stoffige straatjes. Ze overhandigen een enveloppe, en gaan verder naar
een volgende deur. De bevolking kijkt toe. De Afghanen trekken weg van de velden. Is het soms te warm?
Ook drie vrouwen in burka verlaten de huizen en lopen met kinderen op de arm het dorp uit. En dan
opeens het geluid van automatisch - geweervuur. De Apache-helikopters verschijnen. De piloten zien de mannen
ook lopen. Maar opnieuw mag er niet geschoten worden: er is een kans – hoe klein ook – dat dit toch
burgers zijn en de strategie gebiedt het vermijden van burgerslachtoffers. De Talibaan lopen terug
naar het dorpje Kakarak, waar ze zich helemaal onzichtbaar wanen tussen de bevolking.
De Apaches blijven in de lucht hangen en jagen zo de strijders weg. De militairen verzamelen op
de heuvel en zetten de terugtocht in naar de post-Tabar. Er is niemand gewond geraakt.

„Het was echt centimeterwerk”, concludeert Jan-Willem opgelucht. De mariniers hangen hun
rugzakken om en lopen de paar kilometer terug. Als de laatste man Tabar binnenkomt, vallen de mariniers elkaar
in de bezwete armen. Opluchting en euforie maken zich meester van het kamp. Het resultaat
van de actie: vijfendertig Afghanen zijn gefouilleerd. En er is één oud, gebruikt munitieblik gevonden.

Geschreven door NRC/Jaus Müller

Commentaar schrijven

Commentaren: 0