PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 1

PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN...

Toelichting van de schrijver.

Hier wordt het verhaal verteld over voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
Het verhaal van 43 Inco. Af en toe lijkt het wel een vergeten compagnie.
Eigenlijk is dit het verhaal van alle eenheden, maar om van deze compagnieën niemand te vergeten laat ik een gefingeerde eenheid 555 het verhaal vertellen.
Wel zijn de namen gefungeerd om niemand voor het hoofd te stoten.
In eerste plaats is dit verhaal vooral bedoeld om een weergaven te zijn van de zware omstandigheden in dat onmetelijke land. Maar soms ook laat ik mijn fantasie een beetje de vrije loop. Maar de gebeurtenissen zijn er niet minder om.
Veel foto’s zijn afkomstig uit de site: Mariniers Nieuw Guinea ’61-’62

HOOFDSTUK
DE DOOD VOOR DE ONSCHULDIGEN

Het eiland bestond uit niet veel meer dan enkele glooiende hellingen waar vroeger de sawa's tegenaan lagen. De bewoners, die daar zoveel eeuwen hun grond hadden bebouwd, hadden het moeten verlaten. De divisie Raiders Eerste Parachutisten Merdekka Irian Jaya had bezit genomen van het eiland en enkele basis gevestigd langs de kust. De ronddraaiende radar zocht de lucht af naar vijandelijke vliegtuigen. In de eenvoudige hutten, gebouwd op palen vanwege het opkomende water, woonden de militairen met hun gezinnen. Veel afleiding was er op het eiland niet nu de bewoners waren verdwenen. De hellingen waren bedekt met manshoog Alang-alang. Het messcherpe olifantsgras dat wuivend mee bewoog met elk zuchtje wind. De dalen waren bedekt met een bijna onbegaanbaar tropisch oerwoud met heel af en toe een verlaten kampong. Nu was het eiland een trainingskamp voor speciale technieken in guerrilla oorlogvoering. Technieken die niet alleen bedoeld waren om in het oerwoud te overleven, maar vooral voor de kunst van het doden.
Vanaf het brede strand, waar palmbomen onbeweeglijk in de middagzon stonden, tot enkele honderden meters landinwaarts strekte zich het grijze beton van een landingsstrip uit. Een klein vliegtuig was aan het eind van de landingsbaan gedraaid en stond met ronkende motoren te wachten om weer op te stijgen.
De luitenant onder aan de trap groette model de kolonel die in vol ornaat het toestel verliet. "Kolonel welkom." De luitenant bracht met een korte beweging zijn gestrekte hand naar de schuin op z'n hoofd staande baret.
De kolonel glimlachte minzaam en sloeg met zijn hand enkele denkbeeldige stofjes van zijn broekspijpen. Het onberispelijke kaki uniform met de vele onderscheidingen was bedoeld om indruk te maken op de jonge officier in het eenvoudige camouflage pak. Nonchalant tikte de hoge officier met het rottinkje tegen z'n platte pet. "Dat kan ik beter tegen jou zeggen, luitenant. Uiteindelijk ben ik degeen die jou voor een laatste test hier heb laten komen." De kolonel keek omhoog waar enkele haveloos geklede mannen het vliegtuig verlieten. De kolonel, die aan het hoofd stond van een gevangenis op Java, deed er alles aan om zijn onzekerheid niet te laten merken. Wat hier ging gebeuren, was volkomen zonder medeweten van de mannen die hoger op de militaire ladder stonden dan hij. Eigenlijk was de kolonel een beest dat zijn hoogste genot in martelen vond. En deze gevangenen had hij al te vaak gemarteld. Daarom moesten ze verdwijnen. Dus wat was er beter dan sterven voor het goede doel: soldaten te laten leren van hun dood. De kolonel wist dat hij indruk maakte op de onervaren officier. Zonder enige uitdrukking op zijn gezicht vervolgde hij zijn betoog. "De gevangenen, luitenant. Je hebt de manschappen reeds geïnformeerd?"
"Ik ben zelf nog niet op de hoogte wat precies de bedoeling is, kolonel."
De hoge officier tikte ongeduldig met zijn stokje op zijn broek en overhandigde de luitenant een bruine, verzegelde envelop. Opnieuw glimlachte de officier minzaam, terwijl hij met het zwiepende bamboe een van de gevangenen een klap in het gezicht gaf.
De verwaarloosde man kromp ineen van de pijn en bleef onderaan de trap staan. Een begeleidende sergeant, die achter de man het toestel uit was gekomen, gaf hem een duw met de kolf van zijn wapen.
Een minachtende glimlach trok over het knappe bruine gezicht van de kolonel. "Loopt maar even mee luitenant. Je vindt je orders in deze envelop. Ik hoef er eigenlijk weinig aan toe te voegen."
De beide mannen liepen naar de eenvoudige loodsen en gingen in de schaduw staan, terwijl de haveloze mannen, omringd door enkele soldaten, bijeen gedreven werden. De kolonel had in een gebaar van belangrijkheid, zijn handen op zijn rug gevouwen en ging voor de jonge luitenant staan. "Dit zijn ter dood veroordeelden. Er wordt niet verwacht dat een van deze mannen levend het eiland verlaat. Ik wil na de actie lijken kunnen tellen."
"Een vuurpeloton, kolonel?" De luitenant was model in de houding gaan
staan, in de verwachting een belangrijke opdracht te krijgen. "Hebben ze ons daarvoor overgevlogen?"
"Je hebt net drie maanden guerrilla training achter de rug luitenant," reageerde de kolonel nijdig. "Ik zal er maar vanuit gaan dat je hersens afgestompt zijn en daardoor nogal traag werken. We hebben niet zo maar iemand een dergelijke training gegeven in sabotage technieken."
De luitenant voelde zich onrustig worden onder de taxerende blik van de hoge officier.
"Nee luitenant. Een laatste test voor jou en je mannen. We weten uit ervaring dat mensen niet zomaar doden. Dat moet aangeleerd worden." De kolonel stak zijn kin vooruit en zei op gewichtige toon. "Er is wetenschappelijk aangetoond dat doden geleerd moet worden. Fanatiek zijn alleen is niet genoeg." Hij wees met zijn bamboestokje naar de gevangenen. "Er wacht je een belangrijke opdracht luitenant. Je moet in Irian Jaya een kampong afstraffen die onderdak en informatie geeft aan de mariniers. Ons leger laat niet met zich spotten. De president wil zo snel mogelijk aantonen dat wij superieur zijn aan die Hollandse kolonialisten." De kolonel draaide zich verwaand om zonder de jonge luitenant nog aan te kijken. Zijn stem verhief zich een weinig tegen de soldaten die de gevangenen hadden begeleid. "Sergeant, maak de kettingen maar los, reik de wapens uit en jaag de gevangenen het oerwoud in." Toen lachte de officier pas echt . "Jammer dat ik er niet bij kan zijn luitenant, de jacht kan beginnen." Rustig liep de kolonel naar het wachtende toestel dat nog steeds met draaiende motoren aan het begin van de landingsbaan stond. De sergeant en zijn mannen volgden op gepaste afstand.
De luitenant bleef het toestel nakijken dat snelheid maakte op de korte baan, opsteeg en in de richting van het vasteland verdween. Toen draaide hij zich om en met een peinzende uitdrukking op zijn gezicht liep hij naar z'n mannen. Hij strekte zijn rug toen hij de deur van de barak opengooide en keek met een fanatieke blik naar zijn mannen die bezig waren hun wapens schoon te maken. "Oké mannen. Even attentie. We hebben volgende week, na een laatste test vandaag, een speciale opdracht."

Takken zwiepten in de gezichten van de opgejaagde mannen die zich een weg door het oerwoud baanden. Het enige wat de haveloze figuren wilden was de dood zolang mogelijk uitstellen. Ze wisten dat ze slechts als prooi dienden voor de soldaten die meedogenloos de jacht op hen zouden inzetten. In een niet vol te houden tempo renden de gevangenen door het dichte struikgewas. Elkaar volgend in een wilde paniek. Voorop rende een oudere man die na jaren van gevangenschap de conditie miste om dit moordende tempo vol te houden. Al vijftien jaar had hij in eenzame opsluiting doorgebracht omdat zijn politieke ideeën niet dezelfde waren als de huidige regering. Met grote regelmaat verdwenen gevangenen na jaren van eenzame opsluiting. Altijd was het in de gevangenis een gissen geweest naar de reden van deze verdwijningen. Maar nu was het zijn beurt om een moment van "de vrijheid" te genieten. Ineens bleef zijn voet achter een boomwortel haken. Hij sloeg met een pijnlijke klap voorover. "Zo gaat het niet langer," flitste het door hem heen. "Vijftien jaar van eenzame opsluiting en dan nog een hopeloze strijd om het leven nodeloos te rekken." Kreunend ging hij zitten en leunde uitgeput tegen de boomstam die hem zo hardhandig aan het nutteloze van hun vlucht had herinnerd. Hij keek naar de kleine kring van mannen om hem heen die in hun hopeloze situatie een leider nodig hadden en hem daarvoor gekozen hadden. Mannen die in de maatschappij zelf belangrijke posities hadden bekleed of beslissingen hadden genomen en nu zo besluiteloos om hem heen stonden. Een matte glimlach trok over zijn sterk vermagerde gezicht. Hij pakte het wapen op, dat de soldaten zo ironisch aan hem gegeven hadden. Het was hem door de val ontglipt. Onhandig trok hij de afsluiter naar achteren en zag dat slechts een patroon in het wapen aanwezig was. Hij keek de mannen weer aan. "Jullie willen vluchten. Maar waarheen? We weten allemaal dat we geen enkele kans maken." De oude man hijgde en probeerde een droge rochel uit te spuwen. In de gevangenis was zijn gezondheid er ook niet op vooruit gegaan. Jaren van eenzame opsluiting maken een mens kapot. Dat was ook de bedoeling van het militaire regime. Mensen kapot maken. Vooral mensen die zich tegen de waanzin van de militaire dictatuur verzetten. En nu hadden de militairen besloten dat ze moesten sterven na jaren van gevangenschap. Hij rochelde weer. "Hebben jullie enig idee waarheen we moeten vluchten?" Hij hoefde niet op hun bevestiging te wachten omdat hijzelf het antwoord al wist. "We zitten op 'n eiland waar niemand anders woont dan de soldaten die hier hun pleziertjes hebben." De oude man moest zelf lachen om het ironische van zijn opmerking. Het was geen echte lach, maar de constatering van een dodelijk feit. Voorzichtig kwam hij overeind, gesteund door de anderen. "Ik heb de kans gehad om vanuit het vliegtuig het eiland te bekijken." Opnieuw hijgde de man moeilijk en gooide het nutteloze wapen weg. Naar adem snakkend ging hij verder. Hij kon de anderen geen hoop geven. "In het midden zijn enkele kampongs." Hij moest even op adem komen eer hij verder ging. "Ik weet niet wat jullie doen, maar het beste is om zo'n kampong op te zoeken. Laten we verenigd blijven en ons daar aan de vijand tonen. In het oerwoud stellen we alleen maar onze executie uit. Ze zoeken martelaren. Laten we dat dan ook zijn." De anderen lieten verslagen hun hoofd zakken en lieten hun wapens op de grond vallen. "Misschien zijn deze jongens van het volk nog geen moordenaars." De dichte begroeiing van het oerwoud slokte de mannen op toen ze hun besluit hadden genomen.
Het peloton was zoveel mogelijk uitgewaaierd om de sporen van de gevangenen op te pikken. De overwoekerende ondergrond maakte het de soldaten moeilijk om zich in het oerwoud snel te verplaatsen. Maar de maanden van training in de dicht begroeide jungle zorgden ervoor dat zij zich hier al snel thuis voelden. Ze wisten dat de gevangenen ook bewapend waren en dat maakte het spel juist spannend. Op ongewapende burgers schieten deden ze alleen als ze weer eens een vuurpeloton hadden moeten vormen. Maar nu waren er gelijke kansen voor iedereen. De luitenant bevond zich in het midden van zijn peloton en had opdracht gegeven om alleen te schieten als er daadwerkelijk tegenvuur werd afgegeven. Maar de sergeant wist, als het nodig zou zijn, daar wel iets op. Hij was een ervaren man en begreep dat de jonge officier in moeilijkheden kwam als deze opdracht niet werd uitgevoerd. En als de luitenant moeilijkheden kreeg, had hij ze ook. Het hele peloton zou dan teruggeplaatst worden naar een van de eilanden, zoals Ambon, om daar tot vervelends toe de bevolking te controleren. De officier was nog jong maar de sergeant wist dat hij uit een goed militair geslacht kwam. De vader van de luitenant had tijdens de vrijheidsstrijd nog tegen de Hollanders gevochten. Buiten hun guerrilla opleiding had het peloton niet veel anders gedaan dan wachtdienst op een van de ontelbare eilanden. En daar had de sergeant niet voor gekozen. Nee, hij wilde eer behalen in een nieuwe strijd om in zijn eigen land meer aanzien te hebben. Hij was al eerder in Irian Jaya geweest en was met moeite aan de Hollanders ontsnapt. Met een kleine eenheid was hij op de vijandige kust aan land gezet om een snelle sabotageactie uit te voeren. Maar zover waren ze niet gekomen. De Hollanders hadden een basis in het oerwoud en hadden al meteen jacht op hen gemaakt. Hij verdacht de inlanders ervan hen verraden te hebben. In een kort vuurgevecht had hij zijn maten zien sneuvelen en zich terug getrokken naar de kust waar hij een prauw had kunnen bemachtigen. Op zee dacht hij opnieuw door de Hollanders onderschept te worden. Maar gelukkig voor hem was het hun eigen marine die met motortorpedoboten een snelle aktie wilde uitvoeren op de kust van Irian Jaya en hem oppikte. Toen opende de Hollandse marine onverwacht de aanval en wist een van de schepen te vernietigen. Zijn eigen schip, waar hij zo korte tijd op vertoefde, werd zwaar beschadigd en vluchtte, als een kreupele, terug naar de thuishaven.
De sergeant vloekte stevig toen een tak in zijn gezicht zwiepte. Het oerwoud was bijna ondoordringbaar met zijn lage begroeiing en de vele lianen tussen de woudreuzen. Daarom werd hij voor deze keer ook niet kwaad op de stommeling die voor hem liep.
"Hebbes." Werd ergens geroepen." We zijn ze op het spoor. Luitenant, sergeant?"
Hij haastte zich naar voren en keek naar de geweren die slordig in de modderige aarde lagen. "Kennelijk weggegooid," mompelde hij.
De luitenant werd uit zijn gedachten opgeschrikt door de plotselinge melding. Hij zat nog maar zes maanden in actieve dienst na met goed gevolg de militaire academie gevolgd te hebben. Eigenlijk was hij liever advocaat geworden, maar zijn vader had erop gestaan dat zijn zoon tenminste voor enkele jaren in het leger ging. Het was een oude traditie in hun familie om naam te maken in het leger. Dat was voor zijn latere toekomst van groot belang. In hun land opende het alle deuren als je vriendjes had in het leger. Hij was net met zijn gedachten bij het feit dat hij op burgers werd afgestuurd die slecht bewapend hun tegenstander moesten zijn. Eigenlijk werden ze gestuurd om een vonnis te voltrekken. Schamper had de jonge officier zijn mond vertrokken in een spottende grijns. Een vuurpeloton was simpeler geweest. Natuurlijk wilde hij naar Irian Jaya om daar te vechten. De Hollanders zaten daar en die hadden er minder rechten dan zijn volk. Ze hadden de Belanda's uit zijn land gegooid en wilden ze ook niet als hun buurman. De luitenant keek de sergeant aan,terwijl hij een van de geweren opraapte.
Hij veegde de modder weg en opende de afsluiter. Opnieuw lachte hij schampertjes toen er een enkele patroon werd uitgeworpen. Beide mannen keken naar het duidelijke spoor dat de gevangenen in het oerwoud hadden achtergelaten.
"Voorwaarts. En geef je ogen de kost." De luitenant stopte de kaart weer in zijn tas. Het was duidelijk. De vele voetafdrukken liepen naar een kampong enkele kilometers verder.
Het werd geen gevecht toen de soldaten de gevangenen vonden. De jonge luitenant aarzelde, maar de sergeant gaf het bevel om te vuren. De gevangenen zaten op de open plek voor het vroegere dorpshuis. Het waren gedisciplineerde soldaten. Ze verspilden niet meer munitie dan echt nodig was. Twee vuurstoten met de automatische wapens waren voldoende. De gevangenen stierven een humane dood.

In het vage licht van het vrachtruim zagen de gewoonlijk bruine gezichten er vaaltjes uit. Sommige van de parachutisten, die op hun makkers een stoere indruk wilden maken, zaten onbewogen tegen de zijwand geleund met hun ronde parahelm voorover gezakt en hielden zich slapend. Maar de meeste van deze jonge knapen frommelden nerveus aan hun uitrusting. Steeds opnieuw controleerden ze hun uitrusting en parachutes.
Het werd niet hun eerste sprong, ook niet bij nacht. Maar deze keer werd
het een sprong boven vijandelijk gebied. De luitenant had zijn peloton pas in het vliegtuig ingelicht over de komende actie in het vreemde land. Maar echt veel informatie hadden ze niet gekregen, dat vonden de officieren ook niet nodig. Soldaten hadden te gehoorzamen en niet te denken. Het enige wat ze wisten was dat ze werden gestuurd om een aanval uit te voeren op een vijandige kampong die hulp had verleend aan Hollandse mariniers. Ze hadden de verhalen over deze mariniers al gehoord van de veteranen die eerder in Irian Jaya gevochten hadden. Ook wisten ze dat de meeste van hun kameraden het niet konden navertellen omdat ze gesneuveld waren. In het beste geval maakten de mariniers gevangenen, maar daar was niet veel over bekend.

De luitenant zat met zijn gedachten bij z'n mooie vrouw en probeerde zich in te denken dat hij net van zijn praktijk thuiskwam. Dat was wat hij wilde. Een eigen advocaten praktijk in Bandoeng. Hij probeerde onverschillig te lijken en wilde een voorbeeld aan de sergeant nemen die de rust zelf leek. Hij wist dat de sergeant al eerder een aktie had meegemaakt en vooral terug wilde om revanche te nemen op die Belanda's. Het ronken van het Hercules toestel leek zo geruststellend, maar hij kon er niet van in slaap vallen en dacht terug aan de afgelopen uren. Nadat zijn peloton de gevangenen had uitgeschakeld waren ze terug getrokken naar de basis aan de kust. Niet veel later, enkele uren voor het invallen van het duister, was zijn peloton opgepikt door het grote toestel. En nu werd zijn eenheid ingevlogen naar vijandelijk gebied. De jonge luitenant was er weer volledig met zijn gedachten bij toen het rode licht boven de cockpit deur doofde. "Oké mannen!" brulde hij boven de monotone herrie van de motoren uit. "Gereed maken en opstellen." Eigenlijk hoefde hij dit niet te commanderen, maar de voorschriften eisten het. Zijn goed getrainde mannen stonden in twee gelederen in het smalle pad en controleerden bij elkaar de uitrusting. Een van de bemanningsleden opende de zware deur toen het groene lampje ging branden. Hij keek met gemengde gevoelens naar het grote zwarte gat. De hemel was volkomen donker. Een prima nacht om af te springen. Nog eenmaal keek hij naar zijn gereedstaande mannen met hun bleke gezichten. "Klaar?" brulde hij. "One, two, three. Go!" Achter elkaar sprongen de mannen af. Zelf maakte hij ook de bekende drie stappen naar het duistere gat. Links, rechts en links. Hij voelde de klap van de chute die boven hem openging en keek omhoog naar het donkere nylon. Heel even maakte hij een twist, trok de rigging lines uit elkaar en zweefde naar het onbekende. Ze sprongen op oorlogshoogte vanaf vierhonderd meter, waardoor de val niet langer leek te duren dan luttele seconden. Takken scheurden zijn uniform open. Hij bleef even in de bomen hangen, voelde weer een schok toen de takken afbraken en sloeg met een klap tegen de grond. De luitenant werd verdoofd door de klap op de harde bodem. Toen hoorde hij om zich heen het gekreun van de mannen die minder geluk hadden. Eerst de gewonden: drong het door hem heen. Maar niet alleen de gewonden moest de jonge luitenant verzorgen.

Hij zag in zijn jonge leven ook zijn eerste eigen gesneuvelde soldaten. Sommige mannen van zijn trotse peloton hingen nog in de bomen als levenloze poppen enkele meters boven de grond. Niet meer dan een vage schaduw in het donkere oerwoud. Luguber zwaaiden enkele doden nog heen en weer, hangend aan de lijnen van hun parachutes. Zelfs een provisorisch graf kon hij hen niet geven. Ze hadden er geen tijd voor. Hij liet het aan de gewonden over om bij het eerste daglicht de doden te begraven. De vijandelijke radar had ongetwijfeld het vliegtuig opgepikt. Het was vooral van belang om nu zo snel mogelijk op te rukken.
"Verzamelen, mannen," siste de luitenant in het duister, terwijl hij probeerde iets van de omgeving in zich op te nemen. Hij schrok toen de sergeant naast hem opdook.
"Vier doden, luitenant," was de korte melding van zijn onderofficier. "Plus zes zwaargewonden die we niet kunnen vervoeren zonder al teveel oponthoud."
De jonge officier bleef stil na deze tragische melding. Zonder een gevecht meegemaakt te hebben waren er nu al onnodige doden gevallen. Zonder de vijand zelfs maar gezien te hebben.
"Luitenant," drong de sergeant aan. "De mannen hebben hun uitrusting al verzameld en de omgeving beveiligd. We moeten hier weg. Als we opschieten kunnen we vannacht nog de kampong aanvallen. Over vier uur wordt het licht."
Luitenant Doue zat te rekenen. Tien mensen van zijn peloton moest hij nu al achterlaten. Zijn harde opleiding zorgde ervoor dat hij niet langer stilstond bij zijn eerste verliezen en resoluut haalde hij de stafkaart tevoorschijn en zette een koers uit met zijn kompas. "Prima sergeant, laat de mannen zich opstellen. Het is zwaar terrein en ik wil niet dat ze elkaar uit het oog verliezen." Ineens zag hij in het donker een lichtpuntje opgloeien en voor het eerst in zijn leven vloekte hij. "Anjing, hond, doe die sigaret weg." Hij rende op de man af die nonchalant af en toe een trekje nam en sloeg hem voor zijn kop. De geschrokken soldaat schudde even zijn hoofd waarbij z'n helm op en neer wipte. Wijdbeens stond de officier over de man heen. "Je hebt in de opleiding genoeg geleerd om te weten dat je de hele eenheid in gevaar brengt. De volgende keer is er voor jou het vuurpeloton." De luitenant was zo kwaad dat hij de man nog eens stevig schopte. Al zijn frustratie van de eerste tegenvaller reageerde hij af op de liggende soldaat. De rode waas trok voor zijn ogen weg en hij siste nog even. "Duidelijk soldaat?" De luitenant draaide zich om en probeerde in het duister de rest van zijn peloton te zien. Maar het donkere oerwoud gaf slechts de schimmen prijs van de hoog oprijzende bomen. De mannen die op de grond lagen om hun eerste positie te beveiligen leken van de aardbodem verdwenen. Maar ze hoorden de sissende woorden van hun jonge luitenant. "Vanaf nu wordt er 's nachts niet meer gerookt." De officier wist zijn gedachten weer te ordenen. "Sergeant stel de mannen op. We vertrekken. "
Vijf minuten later had de dichte bush de parachutisten opgeslokt.
De hemel was nog steeds zwaar bewolkt en geen lichtstraaltje drong door in het oerwoud. De parachutisten trokken in een hoog tempo door het zware terrein waar ze zelfs de man voor hen niet konden zien. Zelfs de sergeant kon niet voorkomen dat af en toe onderdrukt werd gevloekt als een van de mannen weer eens over een van de vele wortels struikelde. Ook de sergeant vloekte grondig al deed hij dit vooral in zichzelf als een tak zijn gezicht openhaalde. Nog harder vervloekte hij het volstrekte duister waardoor hij zijn kompas slechts met de grootste moeite kon aflezen. Datzelfde duister en het zware terrein had veel goeie jongens het leven gekost. Ze hadden meer kans gehad als zijn eenheid boven het gebergte was afgeworpen. Natuurlijk zouden er veel gebroken en gekneusde benen zijn geweest. Maar die rottige bomen hadden de jongens doorspiest alsof het wajang poppen waren. Twee van de mannen hadden ze begraven maar de andere twee hadden te hoog in de bomen gehangen om erbij te kunnen. Ze hadden al teveel tijd verloren in het duistere oerwoud door het uiteen gevallen peloton te verzamelen. Hij, de sergeant, begreep best dat de luitenant in het begin moeite had om tot de werkelijkheid terug te keren na zijn eerste ervaring. Hij wilde net schamper lachen toen opnieuw een tak zijn gezicht openhaalde. Door dat rottige kompas kon hij niet zijn beide armen gebruiken om zich te beschermen. Hij was echt wel gewend om 's nacht door zwaar terrein te stompen, alleen lag nu het tempo hoger door hun achterstand na de afsprong. Sergeant Matsu merkte dat het terrein geleidelijk begon te stijgen en liet het peloton halt houden.
Meteen kwam luitenant Doue naar voren. "Is er iets mis sergeant?"
"Het is beter om de mannen een korte rust te geven luitenant. We bereiken hoger terrein. Nog een half uur voor we Mam Boeni-boeni bereiken."
"Prima sergeant. Vijf minuten rust dan. Daarna splitsen we ons."

Commentaren: 0