DOOR GOD VERLATEN

Het verhaal van de 43ste infanterie compagnie Een bijna vergeten eenheid in Nieuw Guinea

DE BERG

De alles verzengende hitte van de middagzon deed het asfalt van het exercitieterrein zinderen. Nog had de zon zijn hoogste punt niet bereikt. Geen zuchtje wind bereikte het kamp dat op de hellingen van het Cycloop gebergte was gebouwd. De twaalfhonderd meter hoge berg, bedekt met tropisch woud. Afgewisseld met een bijna ondoordringbare begroeiing van kreupelhout in de modderige bodem. Het geheel wekte de indruk van verkoeling wat normaal in tropisch gebergte ook juist is. Maar niet deze berg. Het was een ware hel en het grootste genoegen van de commandant van het kamp was om zijn mensen, die geen mensen waren maar mariniers, in nodeloos veel herhalingen tegen de flanken omhoog te jagen. Maar niemand van deze mariniers durfde hardop het woord, nodeloos, te gebruiken. Alles in het Korps had zijn nut. Zeer zeker om in de groene hel op de flanken van deze berg glibberend en glijdend zich een weg omhoog te vechten. Een bijna onmogelijke taak. Maar dat het mogelijk was bleek iedere keer weer opnieuw. Ondanks hun zware rugzakken, heen en weer slaande helmen en het gewicht van de infanteriewapens. De mariniers raakten eraan gewend om tegen deze duivelse berg te vechten. Ondanks de modder, de ontelbare insecten en het ergste nog de hitte die hun kelen dichtschroeide en hun smerige uniformen aan hun bezwete lichamen liet plakken.
De laatste ingeving van de sergeant was om een boomstam in zijn geheel tegen de flanken omhoog te brengen. Maar het was geen boomstam. Dat had de sergeant al duidelijk gemaakt . Nee, dit was een Land Rover. Niet dat er op de hoogste top een weg aangelegd was waardoor het voertuig zelf omhoog of weer omlaag kon rijden. Nee, omhoog en omlaag gebeurde met touwen die de handen van de
mariniers stuk brandden, maar het was goed om teamverband te smeden. Bovendien en dat was nog het belangrijkste, de commandant van een peloton hoorde, volgens de sergeant, hoorde niet te lopen. En de mariniers moesten daarvoor zorgen. Natuurlijk bestond er een weg op de berg. Deze weg bestond uit een modderig pad dat de vele uitglijdende schoenen van de mariniers veroorzaakt hadden. De dagen ervoor waren ze bezig geweest om zich met hun last naar boven te vechten. Alleen 's nachts hadden ze rust gehad. Maar deze rust bestond uit vele soorten van alarm oefeningen. Er werden vijandelijke infiltranten waargenomen, of parachutisten waagden het om bij nacht af te springen. En dat nog wel terwijl zij, mariniers, de berg al bezet hadden. Eindelijk dachten de mariniers dat zij het zich konden permitteren om hun gebroken lichamen op niet meer dan een grondzeiltje uit te strekken. Maar de sergeant had nog een goed idee. Gasalarm, midden in het oerwoud van deze stinkende berg. Natuurlijk mochten ze gaan slapen. Alleen voor de zekerheid met gasmaskers op. De dood kwam immers reukloos.
Nauwelijks op de top, was er tijd voor een snelle hap, om daarna weer de berg af te gaan. Het hoorde bij de doelstellingen van het Korps Mariniers om van mensen, mariniers te maken. En majoor Daal had prima onderofficieren om hem in deze zware taak bij te staan. Maar nu kregen ze eindelijk hun welverdiende rust. De vermoeidheid stond op hun, door de onmenselijk zware training vermagerde gezichten, getekend. De scherpe lijnen om hun mond, de rood omrandde ogen, diep weggezonken in hun bleke koppen. Hun uniformen slobberden om hun afgetrainde, gespierde lichamen.
De sergeant klopte het weinige modder, dat zijn overigens bijna smetteloze uniform bedekte, met nonchalante gebaren weg. Het enige smerige aan de sergeant waren zijn veldschoenen waarmee hij net als de mariniers in de modder had lopen ploeteren. Niet zijn uniform. De mariniers hadden vervuilde en gescheurde uniformen door hun gezeul op de rottige berg.
"Oké lamzakken, genoeg geluierd! Jullie denken dat we een overwinning hebben behaald. Vergeet het maar. Kijk nog maar eens goed naar de berg. Daar zijn jullie je jeugd kwijtgeraakt."
De mariniers stonden keurig in gelid met zicht op de helse berg die hoog boven het kamp uitrees. Het teamwork was groot geweest. Twee mariniers in de jeep/boomstam, die het geluid van een ronkende motor moesten nadoen of brullend het geluid van een claxon lieten horen als het niet snel genoeg ging volgens de sergeant. En eigenlijk ging het nooit snel genoeg volgens de dikpens. Ploegen hadden vloekend met balken lopen sjouwen om achter de boomstam te leggen om te voorkomen dat deze terug zou glijden. Andere ploegen hadden met de zware takels en touwen lopen ploeteren om steeds de volgende boom te zoeken. En dat alles opdat de jeep/boomstam zonder onderbreking omhoog getakeld kon worden. De touwen hadden hun handen stuk gesneden van het eindeloos trekken eraan. Ze hadden in brand gestaan, die kapotte handen. Gevloekt hadden ze, die jonge mariniers. De sergeant sloeg ze voor hun kop als ze God aanriepen wanneer de boomstam enkele meters terug gleed in de modder omdat ze uitgleden in de rottige prut.
Weer begon de sergeant te brullen. "Niet zolang ik moet proberen om van dit stelletje ongeregeld een team te maken! De meesten van jullie denken heel wat te zijn. Vergeet het maar. Ik heb jullie verdomme horen vloeken op die door God vergeten berg. En ik houd verdomme niet van vloeken. Kerels vloeken en dat zijn jullie nog lang niet. Jullie horen mij toch ook niet vloeken, terwijl ik een kerel ben. Want ik ben een sergeant van de mariniers." De sergeant keek taxerend naar zijn mannen die in de hitte van de middagzon probeerden stram en onbeweeglijk op het zinderende exercitieveld in het gelid te staan. "De meeste van jullie zitten al langer in dit verdomde land en zijn er trots op in andere compagnieën gediend te hebben. Nou, vergeet het maar. Er is maar een compagnie en dat is waar ik sergeant in ben. Het 43ste. En dan heb ik het nog speciaal over dit verdomde 2de peloton. Jullie kunnen er trots op zijn, het Korps heeft voor dit zooitje ongeregeld dit mooie peloton. En waarom heeft het Korps jullie hier geplaatst, hé? Omdat jullie verdomde klootzakken zijn die ergens anders niet deugden."
De sergeant liep langzaam naar achteren waar hij in de schaduw ging staan van de enige plek op het exercitieterrein waar schaduw was. De halve koepels van de garage waar de trucks stonden die de mariniers moesten vervoeren wanneer haast geboden was. Of wanneer de afstand te groot was om, zelfs door mariniers, lopend afgelegd te worden. De dofgroen gespoten trucks waren ook om de mariniers in hun weinige vrije tijd naar de dichtbij zijnde stad te brengen. Ja, mariniers met vrije tijd werden goed verzorgd. Maar nu stonden de wagens ongebruikt onder het afdak van de garage.
Opnieuw verhief de sergeant zijn stem. "En dan zijn er nog een stel die willen beweren dat ze tropenervaring hebben omdat ze op Curaçao of Aruba hebben gediend. Nogmaals, vergeet het maar." De sergeant bekeek de in de hitte van de middagzon staande mariniers en wilde op de grond spuwen. Maar al stond hij behaaglijk in de schaduw uit zijn mond kwam niet meer dan een droge rochel. Rustig pakte hij zijn veldfles, nam een grote teug en spuwde een straal water op de grond.
Menig marinier slikte even moeilijk en tongen probeerden de gebarsten lippen nat te maken bij het zien van het kostbare vocht dat de sergeant zo achteloos uitspuugde.
Daarna keek de sergeant naar zijn beide korporaals. "Kom op heren, jullie zijn meer dan dat zooitje Torren. Het is hier best wel uit te houden onder het afdak." Hij maakte geen haast zijn veldfles in het foedraal op te bergen voor hij weer naar de mariniers brulde. "Ik wil mezelf niet te druk maken, want daarvoor is het veel te heet! Maar dit zijn de tropen!" De sergeant vervolgde rustiger. "Ik wil het helemaal niet hebben over het stel groentjes, Baru's, zoals wij dat in het Korps noemen. Zij denken in Nederland een mariniersopleiding te hebben gehad en daar als ouwe jongens bij de parate eenheid Q.P.O. gediend te hebben. Ik durf niet eens in de lopen van jullie wapens te kijken. Stelletje smeerlappen. We zitten hier in Nieuw Guinea. Een land overdekt met oerwouden. Maar volgens mij zit er genoeg modder en zand in de wapens dat de kamelen erin kunnen rondlopen alsof het de woestijn is."
De uitgeputte mannen konden er niet om grijnzen. Deze mop werd al zo vaak verteld.
"Zoals ik al zei." De sergeant veegde het zweet van zijn voorhoofd en lette er vooral op dat zijn mannen onbeweeglijk in de houding stonden.
"Volgens mij moet er nodig iets aan de wapens gebeuren. En wanneer doet een marinier dat?" De sergeant liep enkele passen naar voren, keek even in de zon, schudde zijn grote kop en veegde weer het zweet van zijn voorhoofd. Hij ging weer onder het afdakje staan en brulde toen. "Juist ja, in zijn vrije tijd! Want jullie weten donders goed wat een marinier over zijn wapen zegt! Ik wil jullie allemaal horen als je toegeeft met wie jullie verkering hebben. Is dat duidelijk? En ik wil een beweging zien. Oké?" De sergeant gaf luid brullend het commando. "In draaghouding...! Geweer!"
Eindelijk verscheen er bij enkele mariniers een grijns op het gezicht en als een man brulden ze, terwijl ze hun wapens diagonaal voor hun borst hielden. "Dit is mijn wapen!" Ze waren nog net uitgebruld of ze legden een hand op hun gulp waarna het hele zooitje weer brulde. "En dit is mijn spuit!" Daarna tilden ze hun wapens boven hun hoofd en gingen verder met brullen.
"Hier ga ik mee vechten!" Hun handen werden vuisten toen ze hun edele delen vastpakten. "En hier ga ik mee uit!"
De sergeant grijnsde gemeen. "Oké stelletje flikkers! Wapen onderhoud! Over een half uur kom ik inspectie houden. En denk erom, jullie weten waar het Korps gek op is! Ik wil gepoetste schoenen en schone geperste uniformen zien." De sergeant liep met stevige passen de zon en de hitte in om zijn mannen het commando te geven om in te rukken. "En voor ik het vergeet!" Hij brulde onnodig hard terwijl het hele peloton slechts enkele passen van hem af nog steeds onbeweeglijk in de brandende zon stond. "Voor degene die nog de kampong in willen duiken. Om tweeëntwintig nul nul uur, dat is dus vanavond stelletje rukkers, staat iedereen met zware marsbepakking hier aangetreden." De sergeant zag dat zijn mannen onrustig werden en brulde er meteen achteraan. "Rustig aan maar! Het wordt alleen een nachtmars naar de stad." Hij grijnsde en liet er sarcastisch opvolgen." Jullie hebben goed gewerkt op de berg en zijn aan rust toe. Daarom gaan we die vijfenveertig kilometer vannacht doen. Veel stelt het niet voor. We lopen immers bergafwaarts. Hollandia, deze heerlijke stad ligt aan zee."

De sergeant keek nog even tevreden naar zijn mannen die op dat moment vooral geïnteresseerd waren in een bad.
Wat de avond bracht zouden ze dan wel zien. En zo hoorde het ook. De sergeant sprak zijn gedachten niet hardop uit, daarvoor was het nog te vroeg vond hij. Maar in zijn hart was hij trots op zijn mariniers. Hij had van deze jongens een eenheid weten te smeden die straks de vijand naar de hel zouden sturen. Maar nu liet hij zijn trots nog niet merken. Ze hadden nog enkele dagen te gaan. "Oké heren korporaals, jullie kunnen het overnemen. Laat de mannen maar inrukken. Eerst wapenonderhoud en na de inspectie zijn ze vrij."
De korporaals liepen naar voren en even later klonken de hard gebrulde commando's voor elke eenheid. "Geweergroep! Ingerukt... mars!"
Een van de korporaals liep meteen naar zijn mannen. "Oké jongens. Jullie hebben de sergeant gehoord. Na de inspectie zijn jullie vrij tot vanavond, maar houdt je een beetje rustig. En wees voorzichtig als jullie de kampong induiken. Die Papoea's vinden het maar niets als jullie met hun wijven rotzooien." De korporaal keek naar het groepje mannen en grinnikte even. Hardop riep hij. "Wije, mislukte bokser, ik had het ook tegen jou, hoor!" Hij schudde zijn hoofd en streek met z'n hand over het borstelige rooie haar. Zwijgers was een kleine gedrongen man en voelde zich in dit land thuis. Al was het hier heel anders dan zijn eigen geboorte streek. Zijn hele familie bestond uit boeren die in Friesland grote veestapels hadden. Hij was dan ook een echte uit de klei getrokken boer. Maar nu was het Korps zijn tehuis sinds zijn zestiende. Hij was altijd een sportief type geweest en een niet onverdienstelijk amateurbokser. In het Korps hadden ze dit gestimuleerd en hij was enkele jaren militair kampioen geweest. Opnieuw moest Zwijgers even grinniken en dacht terug aan de tijd dat hij Wije leerde kennen. Die rottige Amsterdammer. Op een avond kwam hij een kroeg binnen waar net een flinke knokpartij aan de gang was. Zonder er verder bij na te denken had hij de knul geholpen die ingesloten dreigde te worden. De knaap aan de bar sloeg flink van zich af en had al meteen zijn sympathie. Onbewust besefte hij dat het ook een marinier moest zijn. Het korte, stekelige haar, de hele houding. Mariniers herkennen elkaar meestal al vanaf een afstand. De knaap verdomde het om zijn gezicht af te wenden als er weer eens een flinke dreun aankwam. Het scheen voor die gozer een vorm van training te zijn. Daar leek het tenminste verdomd veel op. Toch stond die knul er slecht voor en dreigde het onderspit te delven. Hij, Zwijgers, had zich toen een weg gebaand naar de bar en zij aan zij ramden ze de tent leeg. De jonge vechtersbaas was inderdaad ook marinier en bleek net terug te zijn uit de West. Aruba. Hij had eigenlijk nog verlof, maar moest de volgende dag naar Den Helder. En hij, Zwijgers, was net 'n maand terug uit Nieuw Guinea. Hij lag in de kazerne in Doorn en moest ook de volgende dag naar Den Helder. Voor een bokswedstrijd op de sportschool daar.
"Om te kijken?" Had de marinier gevraagd.
"Nee, verdomme," grinnikte hij. "Ik moet zelf boksen. Maar jij wordt daar zeker geplaatst?"
De Amsterdammer had gelachen. "Wel, we zitten in dezelfde gewichtsklasse." Daarna had hij zijn stukgeslagen hand uitgestoken. "Wije is mijn naam. Aangenaam."
De volgende dag hadden ze tegen elkaar gebokst en verloor hij voor het eerst sinds jaren tegen die rottige Amsterdammer. Met een knock-out . Voor minder scheen die knaap het niet te doen. Iets anders wilde die Mokumer niet. Hij wilde niet op punten verliezen, maar overtuigend door zijn tegenstander tegen de mat te slaan. Ruim voor de wedstrijd had hij zich al verbaasd over het lichaam van die knaap. Alleen maar spieren. Die gozer had drie maanden alleen maar getraind. Zelfs in zijn verlof. En hij, Zwijgers de kampioen van het Korps, had tijdens zijn verlof de beest uit gehangen. Hij trainde na die mislukte wedstrijd harder dan ooit en de revanche was in zijn voordeel uitgevallen. Daarna waren ze elkaar uit het oog verloren, omdat Wije op verzoek naar Nieuw Guinea ging door al die verhalen van hem. Normaal praatte hij nooit over dat land, alleen als hij dronken was. En dat waren ze samen vaak. En nu hadden ze elkaar hier opnieuw getroffen. Korporaal Zwijgers schudde alle gedachten van zich af en liep achter het lachende groepje mariniers naar hun barak. De korporaal kon zelf ook weer grijnzen. Het Korps en boksen, zijn lust en z'n leven.
De barakken waar de mariniers gelegerd waren bestonden uit halve koepels en op de plaatsen waar gewoonlijk glas in de ramen zat, was de opening bespannen met gaas. Het was de enige manier om in de intense hitte nog verkoeling in de barakken te hebben. Het beetje wind dat er was kon vrij door de openingen naar binnen.
Een beer van een marinier liep naar zijn maat. "Hé Wije, je hoorde wat Zwijgers zei. Dat geldt zeker niet voor jou? Wat ga jij straks doen?"
"Ik? Ik ga straks lekker zwemmen. Iets verderop in de rivier is een waterval waar ik meestal naartoe ga. En daar wacht zo'n inlands grietje op mij."
De beer lachte." Ik dacht dat jij thuis een grietje op je had wachten. Maar ja, jij zit alweer bijna anderhalf jaar hier in dit pokke land."
"Inderdaad Sijne, wacht maar tot jij hier lang genoeg zit. Dan zoek je hier ook wel verkering met 'n wijfie." Hij grijnsde en zei toen laconiek. "Ach, die Papoea's zijn wel link want hun vrouwen worden nog uitgehuwelijkt. Ik had nog geluk dat ze de vrouw is van een Chinees en niet van een Papoea. Maar huwelijkstrouw is belangrijk. Het was de broer van het vrouwtje die achter mij aanzat met zijn kapmes en dat was wel even zweten. Gelukkig liep het goed af. Maar uiteindelijk zijn we mariniers. Ik kon harder lopen dan hij." Wije lachte spottend toen ze hun barak inliepen. Eerst wapenonderhoud, dan inspectie en een snelle hap. Daarna de bijnaam. Torren. wal op, zoals mariniers dat noemen. Passagieren. Geen schip in de buurt en toch passagieren op de wal. In pakkie-an deftig. Hun keurig geperste kaki uniform en gepoetste zwarte schoenen. De kepie, met daarop het mariniersembleem in de vorm van een torretje schuin op hun hoofd. Dat torretje gaf hen daarom ook hun
Zoals alles model ging bij het Korps Mariniers, ging het ook voor de mannen die deze middag vrijnamen om nog enige afleiding te hebben voor ze hun nachtelijke mars begonnen. Ondanks het rottige kleine stadje Ifar, waar bijna helemaal niets viel te beleven, moesten de mariniers eerst door de officier van de wacht geïnspecteerd worden voor ze de wal opgingen. Het stadje had aan vertier niet veel meer te bieden dan een militair tehuis waar de laatste films werden vertoond. Tenminste de laatste voor dat land. Misschien al jaren oud. Daar kon een biertje worden gedronken of, als specialiteit van het MT, een blik met gemend fruit genuttigd worden. Dan was er voor die streken de zeldzame aanwezigheid van een warme bakker, waar ook de kazerne het kleffe brood vandaan haalde. Ook het zogenaamde vakantie kamp. Niet meer dan enkele barakken waar de mariniers voor afwisseling in burger, mochten passagieren. Dat was alles wat Ifar te bieden had. En natuurlijk het missiekerkje, met een pater die naast het vertellen over God ook nog veel beleefd had in een van die afgelegen gebieden zoals de Baliem vallei. Dat was Ifar. Daarom gingen de meeste marinier liever naar Sentani met een vorstelijk zwembad en restaurant Meerzicht aan het grote Sentanimeer waar een bootje gehuurd kon worden of een heerlijk koud pilsje op het terras. Bovendien had dat stadje ook beduidend meer Chinese toko's waar nogal wat te regelen was. Meestal probeerden de mariniers Spaanse vlieg, wat de potentie scheen te verhogen, te versterken, maar dat was zelfs voor de Chinezen een moeilijk te verkrijgen handeltje. Geitenogen, die waren er wel. In xxl maat. Extra groot en de stoere mariniers kochten deze waardoor de behaarde oogleden niet op hun jonge heer bleven. Wel bleef het achter bij de dame in kwestie. Dan moesten ze dat rimpelige geval eruit zien te vissen.
De eenzame kazerne, buiten het stadje Ifar gebouwd, lag nog steeds te zinderen onder de koperen ploert, maar de aangetreden passagiers bleven model in de houding staan. Tergend langzaam liep de jonge officier langs hen en kon niet nalaten af en toe een opmerking te maken, terwijl hij voor een correct geklede marinier bleef staan. "En marinier! Waar heb jij je schoenen mee gepoetst?"
De marinier was nog niet lang bij het Korps en maakte de vergissing om ijverig terug te brullen. "Met schoensmeer, luitenant!"
De jonge officier bleef verschrikt stilstaan en keek de marinier verbaasd aan. "Wat schoensmeer...? En zo wou jij de poort uit...?"
De marinier knikte hoopvol, ja en keek zo uitdrukkingsloos mogelijk voor zich uit. De officier kreeg het duidelijk naar zijn zin op deze saaie wachtdienst, de enige afwisseling die hij deze dag zou hebben. "Terug jij!" brulde hij ontzet. "Een marinier poetst zijn schoenen met vlijt en ijver!"
"Maar luitenant..." Begon de marinier.
De luitenant, zelf nog wel milicien, was gemoedelijk en wilde de uitvlucht van deze marinier wel horen om des te meer leedvermaak te hebben. "Ja, zeg het maar!"
"De volgende sloep gaat pas om vijf uur luitenant." De marinier was wel lang genoeg in dienst om de juiste uitdrukkingen te gebruiken. Mariniers gaan niet de stad in, maar passagieren. En passagieren doe je niet met een truck maar dan neem je de sloep die naar de wal gaat. Net zoals de marinier nu met zijn platvoeten op dek stond.
"Inderdaad marinier..." De officier grinnikte. Zijn dag was weer goed.
"Dan heb je pech marinier." De officier ARO, milicien, dacht even flink na en brulde branieachtig. "Als je alleen maar de wal opgaat om aan je zeuntje, pik, te sjorren, kan je dat ook op het schijthuis doen." Meteen bloosde de jonge luitenant van zijn eigen grofheid. Waarschijnlijk had hij een vorm van tropenkolder omdat hij, te midden van al die beroepsofficieren, als sportieveling te weinig zoop. Bier was de enige remedie om deze ziekte weg te houden.
De luitenant wilde zich snel een houding geven. "Je moet je trouwens ook beter scheren." Tevergeefs probeerde hij tussen duim en wijsvinger enkele niet aanwezige baardharen te pakken. Maar dat maakte niets uit. Scheren moest. De rest kon inrukken om met de sloep naar de wal te gaan en te passagieren.
Wije slaakte een zucht van opluchting. Alles aan zijn uniform was buiten model. Ooit had hij bij een bezoek aan een Amerikaanse Mariniers basis zijn hele uniform geruild met een dronken Yank. Deze kerels hadden alles beter. Ook de kaki uniformen waren van betere kwaliteit. Net als de koppel. Maar waarschijnlijk had het jonge officiertje het verschil toch niet gezien.
Met een grote boog liep hij om de kazerne heen en waande zich al meteen in het paradijs. De kazerne en de afgestompte discipline kon hij hier een tijdje vergeten. Alles aan de omgeving waar hij zijn vriendin ontmoette was idyllisch. Het riviertje, dat hier van de berg stroomde, vormde een kleine poel met plat afgesleten rotsblokken om op te liggen en in de zon te luieren. Het meisje was er nog niet. Snel kleedde hij zich uit en dook meteen in het verkoelende water. De krachtige stroom trok zijn naakte lichaam mee en met rustige slagen hield hij zich drijvende. Kans op ontdekking was er niet. De plek lag goed verscholen achter en onder de vele bomen die de omgeving bijna hermetisch afsloten. Het Korps vond het maar niets als zijn mariniers met de plaatselijke vrouwen omgang had. Maar Dorcas had hem op zekere dag meegenomen, want ook zij wilde het liefst met de marinier alleen zijn. Ze was door haar familie uitgehuwelijkt aan een rijke Chinees, die zijn jeugd al jaren achter zich had.
De marinier kreeg genoeg van het zwemmen, trok zich omhoog aan een rots en hield het enige paadje in de gaten dat bij de poel uitkwam. Toch was hij nog verrast toen een lieve zachtjes stem achter hem zei. "Mooie billen. Mooie marinier."
Het meisje kwam tussen de struiken door naar het water, liet haar jurkje zakken en waadde naar hem toe. Ze kusten elkaar hartstochtelijk en lieten zich onder water glijden. Even later zwommen ze met lome gebaren naar de kleine waterval en kropen op de kant. Veel werd er niet meer gesproken en beiden genoten van de aanrakingen in hun spel van liefde. Wije keek naar het prachtige lichaam en zuchtte diep. "Nog even en we gaan hier weg. Ik zal je missen."
De jonge inlandse lachte en legde zachtjes een hand op zijn mond. "We hebben nu toch nog tijd voor elkaar."
Ze spraken met elkaar in het Maleis, de enige taal die in het land tussen de vele bevolkingsgroepen werd gesproken. Ieder dorp had een eigen taal en kon elkaar begrijpen door een gezamenlijke taal te spreken. In enkele gevallen was dat Nederlands, maar nog vaker het Maleis. Wije had speciaal voor Dorcas deze taal geleerd om toch vooral niets te missen van de lieve woordjes die zij tegen hem sprak.
"Moet je echt weg? Je weet dat ik van je houd. Je kunt je ergens verstoppen." Opnieuw drukte ze haar lichaam hunkerend tegen de gespierde marinier in een verlangen niet te praten, maar te genieten van de korte momenten die ze hadden.
"Ik houd ook van jou, maar je weet dat wij mariniers nooit lang op een plek blijven." Het klonk stom, maar hij wist voor dat moment niets anders te zeggen. "Als mijn baas zegt, dat ik moet gaan, heb ik dat te doen."
Het meisje sloot haar ogen en dacht terug aan een van hun eerste ontmoetingen. Haar broer had hen betrapt toen ze zaten te praten in een van de klappertuinen. Alleen maar praten met elkaar, heel onschuldig. Ze had de marinier ontmoet toen deze met een oefening in de buurt van haar huis was en zijn veldfles had gevuld. Ze kon hem niet vergeten en had hem opgewacht toen hij op een dag de kazerne verliet. Maar haar broer dacht gelijk het slechtste en had de marinier met zijn kapmes aangevallen. Niet uit kwaadheid op de marinier, maar vrouwen betekenden zo weinig. De hele familie was afhankelijk van haar huwelijk met de rijke Chinees. En zij, een domme vrouw, verpeste alles. De marinier had het kapmes weggeschopt en wilde haar broer te lijf gaan.
"Beter weg, nu." Had ze gezegd. "Zo is beter. Ga."
De marinier had haar met grote ogen aangekeken en duidelijk moeite gehad om te gaan. Haar broer had haar meegenomen naar huis en geslagen. Maar de marinier was niet weggegaan. Ineens stond hij binnen en vocht met haar broer. Zij was angstig naar buiten gegaan om af te wachten wat er allemaal ging gebeuren. Toen de mannen vechtend naar buiten rolden had de marinier haar broer bijna gedood. Maar ze was er tussen gesprongen om hem tegen te houden. Toen had de marinier het simpele houten hutje, meer dan een kamer had het op palen gebouwde huisje niet, in brand gestoken. Daarna sleurde hij haar broer mee en wierp hem in de vlammen. Maar de marinier wilde niet meer dat haar broer om zou komen en was opnieuw het brandende huisje in gerend. Samen met Akar was hij naar buiten gekomen. "Dat flik je nooit meer." De woorden waren duidelijk geweest en haar broer had geaccepteerd dat ze omgang hadden. De familie leed er niet onder. Af en toe bracht de marinier geschenkjes mee. En nu? Nu moest hij weer weg. Ze zou haar stoere marinier missen. Maar Dorcas hield zich flink en wilde niet dat de marinier haar tranen zou zien. Opnieuw streelden haar zachte handen zijn brede rug en ze voelde dat haar verdriet het begon te winnen. Ze drukte haar hoofd tegen de sterke rug. Niet haar wang. De marinier mocht niet voelen dat de warme tranen erlangs liepen. Ze huiverde van een alles verterend verlangen, wachtte tot haar tranen waren gedroogd en zocht zijn mond. Met alle kracht die in haar was sloeg ze verlangend haar armen om hem heen. Nog eenmaal gleden ze in het water, zwommen naar de andere oever en klommen op de kant. Meer verborgen tussen de struiken. Opnieuw hadden ze elkaar lief.

Commentaren: 0