PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 2

PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN...

De hoge boeg van Hare Majesteit Evertsen kliefde door het zwarte water onder een nog duistere hemel. Alle patrijspoorten waren geblindeerd omdat er tijdens de oorlogswacht geen lichtje mocht uitstralen. Het schip patrouilleerde al dagen in de Ceram zee zonder enige afleiding aan boord. De man aan dek probeerde met zijn vingers, het peukje, van zijn stiekem gerookte sigaret, weg te schieten en vloekte toen het vuur terugwaaide tegen zijn T shirt. Het schip had behoorlijk wat snelheid gemaakt en de matroos was blij met de afkoeling. Heel even had hij zijn post achter de radar mogen verlaten om aan dek zijn brandende ogen tot rust te laten komen. Niet meer dan tien minuten: had de luitenant hem op het hart gedrukt. Na het duister van de centrale had hij gehoopt aan dek een stukje maanlicht te kunnen zien. Stom eigenlijk, want de weerberichten hadden vermeld dat er zware bewolking heerste. Bovendien kon het radarscherm ook niet liegen. Eigenlijk was er maar een wolk en dat was langs de hele hemel. Hij moest nog een half uur dienstdoen en met een diepe zucht liep Maarsen terug naar de centrale. Eerst schonk hij nog een dampende bak koffie in en loste zijn maat af die voor hem had waargenomen. In een automatische beweging, waar hij zich niet van bewust was, volgden zijn ogen de ronddraaiende streep op de groene achtergrond. Hij begon te suffen en dacht aan het meisje dat in de stad hopelijk op hem zou wachten. Daarom miste hij de eerste blieb. Niet de tweede. "Luitenant. Vliegtuig recht vooruit."
De officier sprak rustig in zijn microfoon met de brug. "Eenmaal meneer, recht vooruit... Ja meneer, op de boeg." Hij luisterde een tijdje terwijl de brug contact opnam met de radio centrale. "Prima meneer. Vijandelijk toestel." Het hoofd van de radarcentrale hoefde maar eenmaal tegen Maarsen te zeggen. "Blijf volgen. Inkomend vijandelijk toestel."
"Ai ai meneer. Inkomend vijandelijk toestel."

“Wat kom jij hier doen? Het duurt nog een poos voor je op post moet." De korporaal grijnsde in het donker maar begreep dat Wije dit niet kon zien.
"Je bent zeker helemaal weg van het feit dat jij als eerste klas post te velde mag meedraaien?"
"Geef liever je baal shag. Ik kon de mijne niet vinden in dat donkere slaaphok." De marinier vloekte grondig toen hij tegen de koffieketel aanliep. "Verdomme Zwijgers. Kouwe koffie?"
"Valt nog mee. Hooguit een uurtje. Jij bent toch ook dol op ijsthee?"
Opnieuw vloekte Wije grondig toen hij in het duistere gat zijn hoofd stootte tegen het lage plafond. De commandopost bestond uit een gat in de grond afgeschermd door een dak van ruwe balken waar hooguit gebukt in gestaan kon worden. Aan de zijkanten was de post afgesloten met zandzakken en een jute lap bij de ingang. Het was de enige plek waar 's nachts een strootje gerookt kon worden voor de mannen die op post moesten. De marinier pakte op de tast de zware ketel en schonk zijn mok vol met het brouwsel. "Nog bijzonderheden?" Meteen volgde er een hoop gevloekt toen Wije de kouwe natte zwartigheid uitspuwde." Stinkende klerebende."
Zwijgers wachtte even tot het vloeken voorbij was en moest grijnzen. "Zo, heb je daar tijd voor. Je komt toch alleen maar om je vol te gieten met koffie om wakker te worden." De korporaal stond met zijn rug naar de marinier toe en probeerde in de donkere nacht iets te onderscheiden in de kampong. "Het is inderdaad een verdomd zwarte nacht. Zal niet meevallen voor die gasten."
"Welke gasten Zwijgers? De knapen die op post moeten? Kunnen ze leren om hun oren te gebruiken die anders toch als nodeloze ballast aan hun kop zitten," mopperde Wije spottend.
"Er zijn vannacht parachutisten gedropt. Er kwam net bericht uit Kokas dat de Evertsen ze op de radar had."
"Verdomme, dat zeg je nu pas. Waar hangen die gasten uit?"
"Wel, toch nog nieuwsgierig?" De korporaal ging zitten en trok de baal shag uit de handen van de marinier omdat hij wist dat deze anders nooit meer terug zou zien. "Die knapen zijn op drie uur lopen van hier naar het noorden geland. We nemen geen risico en zetten dubbelposten uit." Zwijgers zoog genietend de rook diep in en keek peinzend naar het opgloeiende puntje. "Zwaar terrein. Kunnen we ze morgen uit de bomen plukken."
"En dat zeg je nu pas."
"We hebben geen haast. Ze moeten zich eerst groeperen. Als ze hierheen komen hebben we nog tijd zat." Opnieuw trok Zwijgers stevig aan zijn peuk en draaide zich weer om. "Meestal trekken die gasten alleen bij daglicht rond, maar we moeten er rekening mee houden dat ze deze kant opkomen."
"Prima, ik ga de jongens wekken." Rustig stond Wije op, pakte de ketel en liep weer de maanloze nacht in naar de hut waar hij tegen de op de grond slapende mannen schopte. "Oké mannen. Geen licht maken. We gaan op dubbelpost."
"Kolere,ik lag amper te pitten. Ik ben net van post af."
"Niet zeiken Pietje, drink je koffie. We gaan straks samen op post. De Peloppers komen eraan."
"Verdomme, vannacht nog?" reageerde de mariniers met slaapdronken koppen vloekend terwijl ze in het donker bezig waren hun schoenen aan te trekken.
"Rustig, niets aan de hand. Luister..." Wije legde zijn hand op de schouder van de jonge marinier. "Misschien is het loos alarm. Normaal gesproken vallen die gasten 's nachts niet aan. Maar we kunnen het risico niet nemen er niet op voorbereid te zijn. "

Diep voorover gebogen zaten de para luitenant en sergeant weggedoken onder het regenzeiltje. Bij het groene lichtje uit de zaklantaarn probeerden ze zich te oriënteren op de kaart.
"We moeten er bijna zijn luitenant." De onderofficier wees met zijn vinger op de kaart waar zij zich in het terrein moesten bevinden.
Naast het peloton, dat dekking had gezocht langs de oever, stroomde het riviertje dat uit moest komen bij de kampong.
Maar volgens de luitenant was er op dat moment nog niets zeker. In het vliegtuig was hij nog vol goede voornemens geweest om de missie tot een succes te maken. Eenmaal op de grond was hij zijn oriëntatie volkomen kwijtgeraakt. Natuurlijk was hij ervaren genoeg om zich met kaart en kompas in onbekend gebied te oriënteren. Maar, hier in dit land was alles anders.
Nog steeds was hij vast van plan om zijn opdracht met succes af te sluiten. Maar liever had hij willen wachten tot het licht was om zich dan op weg te begeven naar hun doel. Eerst het terrein verkennen en zich wegwijs te maken met dit gebied. Daarom had hij de leiding aan de ervaren sergeant overgelaten die het peloton door de volkomen zwarte nacht voerde. Hij wist dat de kaarten van Irian Jaya niet altijd klopten. Tot zijn verbazing had de sergeant hen dwars door het ontoegankelijke gebied geleid tot ze een niet waar te nemen pad vonden. Toen ze ook nog een kali stroomopwaarts volgden ging zijn vertrouwen in de onderofficier al een stuk vooruit. Eigenlijk had de luitenant al die uren blindelings op zijn ondercommandant vertrouwd.
"Kijk luitenant." De sergeant ging onverstoorbaar verder en liet niet merken dat hij de verwarring van de jonge officier zag. Zoiets kon slecht zijn voor de toekomst. Officieren hadden altijd gelijk. Vooral wanneer ze uit belangrijke families kwamen zoals de luitenant. "Hier komen de rivieren bijeen. Dit moet de kali zijn die ons naar de kampong brengt." De sergeant doofde het lichtje en trok de poncho weg. "Dit is de laatste heuvel voor we de kampong bereiken." fluisterde hij en wees naar de donkere massa die voor hen opdoemde.
De luitenant schudde zijn hoofd in het donker. "Prima sergeant. Dan splitsen we ons hier volgens plan." De jonge officier wilde naar zijn mannen gaan waarmee hij de aanval op de kampong zou uitvoeren.
"Luitenant," fluisterde de sergeant. "Alle kans dat er Hollanders in de kampong zijn. We moeten eerst een verkenning uitvoeren."
Luitenant Doue voelde zich kwaad worden. Hij was alweer vergeten dat hij in zijn onzekerheid de leiding in handen van de ervaren onderofficier had gelegd. "Je hoeft mij niet te vertellen wat ik moet doen sergeant," beet hij de ander kortaf toe. "We zullen volgens plan de kampong verkennen en eventuele posten uitschakelen..." Hij wachtte een ogenblik. "Je weet wat je taak is. Wacht hier met je mannen tot ik je het signaal geef. We zien elkaar na de aanval." Abrupt draaide luitenant Doue zich om en sloop naar zijn eigen mensen die hij naar boven zou leiden. Vanuit de tuinen, die op gelijke hoogte lagen, zou hij het dorp bestoken zodra de sergeant het sein doorgaf dat de schildwachten waren uitgeschakeld en de vluchtende Hollanders afsnijden.
De sergeant grijnsde in het donker en vervloekte alle eigenwijze officieren die hij in zijn leven al had meegemaakt. Doue had lekker kletsen en zou veilig met zijn mensen in de tuinen wachten tot hij met zijn ploeg eventuele posten had uitgeschakeld.

Luitenant Doue ging zijn kleine eenheid voor, op hun tocht langs het riviertje, dat hier niet meer was dan een rustig stroompje, kabbelend langs de rotsachtige oever. Hij vermeed de takken van het struikgewas door zijn opgeheven arm schuin voor z'n gezicht te houden, drukte de takken opzij en liet deze voorzichtig terugveren tegen de arm van de man achter hem. Ondanks de para's die hem volgden kwam er een gevoel van volstrekte eenzaamheid over hem heen. Ook zijn besef van eigenwaarde en verantwoordelijkheid keerde terug. Zijn gevoelens van redelijkheid als advocaat en eergevoel als officier voerden een inwendige strijd. Als advocaat was hij een redelijk mens, maar in de opleiding als officier had hij geleerd ver boven zijn minderen te staan. Toch won zijn gevoel als redelijk mens op zijn tocht langs de slapende kampong. Op dat moment werd luitenant Doue gevormd tot een kundig officier. Een glimlachje krulde om zijn mondhoeken bij het besef verantwoordelijk te zijn voor de mensen die onder zijn bevel stonden. Hij keek naar de hemel waar de maan af en toe door de wolken kwam en hem vriendelijk leek toe te lachen. Het lot moest hem gunstig gestemd zijn. Het pad boog af naar rechts en begon langzaam te stijgen. Heel af en toe zag hij de daken van de eenvoudige hutten, terwijl hij met z'n eenheid paratroepers naar boven klom. Er leek geen einde aan hun stille klim te komen tot hij ineens de eerste klapperbomen zag. De kampong lag op dezelfde hoogte als de tuinen waar hij zijn para's verdekt opstelde aan de rand. Luitenant Doue pakte zijn kijker en vervloekte het feit dat hem geen beter materiaal was verstrekt voor het uitvoeren van zijn actie. Langzaam bewoog hij de kijker en probeerde iets te onderscheiden op de momenten dat de maan weer even door de wolken heendrong. Veel was het niet. Er viel geen enkele beweging waar te nemen tussen de armoedige hutten van dit inheemse volk Alles leek hem volkomen uitgestorven. Luitenant Doue tikte zijn ordonnans op de schouder. "Geef de sergeant het sein. Alles lijkt veilig." Hij lachte stil en zei toen snel. "En wens hem sterkte."

De sergeant verlangde naar actie. Hij haatte die Hollanders, maar vooral de mariniers die zijn maten hadden gedood. Hij verstopte de draagbare radio bij de rugzakken onder enkele struiken, had moeite zijn grijns te onderdrukken en draaide zich om. "Pst, korporaal. Zijn je mannen er klaar voor? We pakken, zoals afgesproken, de kampong van binnen uit."
Enkele para's knielden naast hem met hun grote vechtmessen klaar in hun handen. Het zou een geruisloze actie worden. De kans dat de Hollanders nog aanwezig zouden zijn achtte de sergeant klein omdat dit een onbelangrijke kampong was. De Belanda's zouden dichter bij de kust hun bivak hebben omdat ze waarschijnlijk een aanval vanuit zee verwachtten. Opnieuw grijnsde de sergeant in het donker terwijl hij het mes uit zijn foedraal haalde. "Oké mannen, we gaan erop af." Het waren zijn laatste gefluisterde woorden. Vanaf nu werd er niet meer gesproken. De beste mensen van zijn eenheid had hij hiervoor uitgezocht. Geruisloos slopen de mannen naar boven waar het pad niet meer was dan een grijs lint tussen de zwarte struiken. Hooguit vijftig meter heuvel opwaarts verplaatsten ze hun voeten een voor een naar voren. Ze hadden nog bijna een uur voor het licht werd. Een eindeloos lijkende tocht naar boven. De sergeant bevroor in zijn beweging toen de maan tussen de wolken doorkwam en gaf zijn mannen een teken op hun buik verder te sluipen. Die rottige maan. Dat was wel het laatste wat ze konden gebruiken. Elk takje opzij leggend schoven de para's langs het pad naar boven. Stopten als de maan tevoorschijn kwam, verder als de nacht weer volkomen zwart werd.

Wije tikte Babyface zachtjes op zijn schouder. De jonge marinier was tot het uiterste gespannen en haalde zijn vinger van de trekker van het zware automatische wapen dat voor hem in de stelling stond. Wije begreep wel dat het gevoel van het wapen Rijke een geruststellend gevoel gaf. Maar de jongen was te nerveus en zou bij elke beweging, die de bomen en de struiken in de wind maakten, schieten. Het grijze pad was niet meer dan een vage streep dat vanuit het dorp omlaag liep en in het donkere oerwoud verdween. Heel even verscheen de maan aan de duistere hemel en wierp zijn licht over het pad. Het leek op het silhouet van 'n struik die met ieder zuchtje wind bewoog en bevroor in zijn beweging toen de maan tussen de wolken doorkwam. Wije kneep zijn ogen samen en zag de struik langzaam naar de grond zakken. Hij legde zijn hand op de mond van de jonge marinier en duwde hem opzij. "Weg van dat wapen," fluisterde hij. Weer meende hij een beweging te zien en zijn hand zocht een steen. Hij drukte zijn mond bijna in het oor van de marinier. "Ze zijn er. Maar pas vuren afgeven als ik het zeg." Hij voelde de jonge knaap trillen en legde zijn hand op de schouder van Rijke. Met zijn buik hing hij over de veldtelefoon om ieder geluid te smoren, toen hij aan de slinger draaide. Meer was niet nodig om alarm te slaan. Geruisloos gleed Wije uit de kuil en keek het pad af. Langs de randen aan weerzijden van het grijze lint zag hij enkele figuren. Met een getrainde soepelheid gooide hij de steen en zag als reactie dat iedere beweging langs het pad verstarde. Snel gleed hij terug in de kuil, gaf Rijke een tik voor z'n kop, terwijl hij zijn Uzi afvuurde. Meteen hoorde hij de doffe klap van een granaat die hoog in de lucht ontplofte en de omgeving fel verlichte.

Het zware automatische wapen naast hem bestookte zigzaggend het pad waar donkere figuren in elkaar klapten en stil bleven liggen. Opnieuw de doffe klappen van de granaten die de omgeving van de kampong teisterden. Met zware explosies sloegen de granaten in de tuin en heel even grijnsde Wije in zichzelf. "Hé, hé Rijke!" Probeerde hij boven de herrie van het gevecht uit te brullen." Daar gaat ons verse fruit. Weg klappers en bananen."
Maar de jonge marinier hoorde hem niet en lag, als vastgenageld, achter het machinegeweer, terwijl hij een constante stroom van kogels afvuurde. Wije drukte het machinepistool tegen zijn schouder en gaf vuur af op het pad dat weer een donker lint was toen de lichtgranaat was gedoofd. Zijn wapen ketste door de lege houder en nijdig wilde hij een nieuw magazijn pakken. Ineens zag hij de schim die gebukt langs hun stelling rende in een poging weg te komen van het moordende geweervuur dat het pad teisterde. Wije aarzelde geen moment. Met een soepele beweging sprong hij overeind, bracht zijn Uzi naar schouder en vuurde gericht op zijn tegenstander. In een flits zag hij het glinsteren van het grote mes van de para en hakkend met zijn wapen wist hij de woeste opwaartse steek te ontwijken.
De man probeerde zich nog om te draaien om Wije's aanval af te weren terwijl hij zijwaarts op de grond viel. Met de laatste kracht die in hem was probeerde hij nog Wije bij z'n ballen te pakken.
De marinier rolde opzij weg zijn tegenstander. Maar het was al niet meer nodig. Beweegloos bleef zijn tegenstander liggen. Opnieuw kwam de maan door de wolken heen en Wije grijnsde toen hij de strepen van de para zag. "Jammer knaap, sergeant zijn, is ook niet alles." Meteen rolde hij verder weg om zich tegen elke nieuwe aanvaller te verdedigen.
"Vast vuren! Vast vuren!" Werd er vanuit de kampong gebruld. "Posten melden over de telefoon!"
Wije hoorde rennende voetstappen die hun kant opkwamen en liet zich naast Rijke in de kuil vallen. Hij trok de marinier weg bij het wapen die nog steeds zijn vinger krampachtig om de trekker hield. "Stoppen Rijke! Vast vuren jongen!" brulde hij. "Maar houdt het pad in de gaten voor het geval dat er nog meer van die klootzakken zijn!" Wije ramde een nieuwe houder in zijn wapen en bestreek de omgeving, gereed om vuur af te geven bij een nieuwe aanval. Weer explodeerde een lichtgranaat en zette de kampong in een fel licht toen hij korporaal Zwijgers aan zag komen rennen.
Voor deze zich hijgend liet bij zich bij de mannen in de kuil vallen, keek even naar de dode para. "Prima werk hier. Dankzij jullie konden we de aanval afslaan." De korporaal leek even te aarzelen en legde toen zijn hand op Wije's schouder. "Het is klote maar alles is in ons voordeel."
"Godverdomme," vloekte Rijke. "Ik had wel kapot kunnen zijn. De aanval begon hier bij het pad."
"Nee jongen," probeerde de korporaal de jonge knaap met een grapje gerust te stellen. "Jij bent bij Wije in goeie handen." Zwijgers keek Rijke aan die nog steeds stond te vloeken. "Moet ik je laten aflossen?"
"Nee korporaal," probeerde Rijke onverschillig te antwoorden. "Dat is nergens voor nodig. Uiteindelijk ben ik ook zo'n klote marinier. En mariniers zijn wel wat gewend." Rijke probeerde nonchalant achter het wapen te staan met zijn ogen strak op het pad gericht en spuwde achteloos op de grond.
De korporaal zuchtte hoorbaar en gaf Wije een stoot tussen zijn ribben. "We wachten tot het licht wordt. Daarna gaan we met enkele mannen de omgeving uitkammen."
"Wat doe jij trouwens hier? Moet je niet in de commandopost zijn?" Wije keek de korporaal niet aan toen hij nonchalant zijn vraag stelde en hield zijn ogen nog steeds op het pad gericht. Het nachtelijke duister begon langzaam plaats te maken voor het eerste ochtendlicht waardoor het dreigende oerwoud niet langer een donkere massa vormde. Bomen en struiken kregen hun eigen kleuren weer terug en het pad dat vanuit de kampong de heuvel afliep werd duidelijk zichtbaar.
"Je maatje Loppes heeft de post overgenomen. Hij gaat trouwens mee op patrouille." Zwijgers probeerde de bedrukte stemming te doorbreken en lachte hoorbaar. "Volgens mij wil hij weten of je uniform correct in orde is compleet met gepoetste schoenen."
"Laat maar zitten korp. Je krijgt mij toch niet op de kast. Alhoewel..."
Wije wachtte even voor hij langzaam zei. "Misschien heeft de sergeant liever enkele echte kerels om zich heen nu het gevaarlijk wordt."
De korporaal gaf de marinier opnieuw een stoot tussen zijn ribben. Maar deze keer niet speels. "Rustig aan jij met je grote smoel." Terwijl Zwijgers de kuil uitkroop draaide hij zich nog om. "En vergeet ook niet dat lelijke bakkes van je te scheren. "

Luitenant Doue liet zijn kijker zakken en tuurde op zijn horloge. In de kampong had hij geen teken van leven kunnen waarnemen. Weinig kans dat er militairen aanwezig zouden zijn. Op z'n minst had hij de aflossing van eventuele posten moeten zien gebeuren. Maar de kampong leek volkomen uitgestorven. En dat de eigenlijke bewoners 's nachts zouden ronddwalen, was al helemaal niet te verwachten. Natuurmensen leefden immers bij de dag. Gingen slapen als de zon verdween en kwamen pas tevoorschijn wanneer de hanen een hoop herrie maakten als het eerste daglicht zich liet zien. Misschien had de sergeant wel gelijk en zaten de Hollanders dichter bij de kust omdat ze een landing vanuit zee zouden verwachten. Bij het vage licht van de maan, die even door de wolken brak, zag hij dat ze nog drie kwartier hadden voor het licht werd. De eenheid van de sergeant zou nu wel bijna in het dorp zijn. Ondanks de spanning kon hij toch wel even glimlachen. Waarschijnlijk vond de sergeant het maar niets als er geen vijandelijke wachtposten waren om uit te schakelen. Hij begreep de haat van zijn onderofficier niet helemaal. De inheemse bevolking had de Hollanders zelf gevraagd om hen naar de onafhankelijkheid te leiden. Een vrij Irian Jaya. Net zoals zijn volk destijds hun Merdekka voerde. Hun strijd om vrij te zijn van vreemde overheersing. Zijn vader had in die tijd tegen de Belanda's gevochten. Hij had vroeger zelfs voor de Hollanders gewerkt. Daarom werd er bij hem thuis vaak nog Nederlands gesproken. Maar alleen als zijn ouders dachten op zichzelf te zijn. Het spreken van Nederlands werd niet erg op prijs gesteld. Maar zijn ouders hadden deze taal zo lang gesproken dat ze het af en toe nog steeds deden. De luitenant probeerde alle gedachten van zich af te zetten en haalde met diepe teugen adem om zijn spanning onder controle te houden. Hij genoot van de lucht die de pisang en klapperbomen uitstraalden. Een geur die hem aan thuis deed denken waar zijn familie uitgestrekte plantages had. Hij onderdrukte de neiging om een van de klappers te pakken die om hem heen op de grond lagen. Stiekem zo'n harde vrucht tegen een van de simpele hutten te gooien, zoals hij vroeger thuis met zijn vriendjes deed. Doue had zijn hand al uitgestrekt en voelde met z'n vingers de harige bast. Ineens verstarde hij in zijn houding toen hij een beweging zag onder een van die schamele hutten. Voorzichtig pakte hij de verrekijker en drukte deze tegen zijn ogen. Weer krulde een lachje zijn mondhoeken toen hij het knorren hoorde van het varken dat onder de hut vandaan kwam. Het leven was hier niet veel anders dan in zijn eigen land bij de kampong bewoners. Simpele mensen die hun hele hebben en houwen in of onder hun huisje hadden. Varkens, kippen, geiten en mensen, alles woonde in zo’n simpel hutje. Koken op een houtvuur in de hut met niet meer dan een watjang. Van de mannen was het grootste bezit hun kapmes om de tuinen te bewerken of een pad te hakken als ze het oerwoud introkken. Een puntige boomtak als wapen om te jagen. Net zo simpel als de paria's in zijn eigen land. Daarom wilde hij advocaat worden. Er viel nog zoveel te doen in zijn land. Het land van de rijken, zoals zijn familie. Eigenlijk was hij een buitenbeentje omdat hij iets voor zijn volk wilde gaan doen. Iets doen voor de mensenrechten. Daar ontbrak het nogal aan. Hij zuchtte diep en wilde weer op zijn horloge kijken. Wachten leerde je wel in het leger. Elke actie bestond uit eindeloos wachten.
Het schieten begon zo plotseling dat luitenant Doue bijna overeind sprong van schrik. Op de linkerflank werd vanuit de kampong hevig vuur afgegeven en hij besefte voor de tweede keer die nacht dat er mannen van hem zouden sterven.
De luitenant was die nacht een goed soldaat geworden en verbaasde zich dan ook niet toen de lichtgranaat, hangend aan een parachute boven de kampong, explodeerde. Nog voor de omgeving werd bestookt door de mortieren draaide hij zich om naar de mannen om zijn commando's te brullen. Maar voor hij zijn eenheid opdracht kon geven zich terug te trekken, brak de hel los. "Terugtrekken! Verdomme, terugtrekken!" De stem van luitenant Doue ging verloren in het inferno van de inslaande granaten. "Neem contact op met de sergeant! Iedereen terug de bush in!" Doue greep de radioman naast hem bij de schouder en probeerde hem tot de order te krijgen. "Beheers je soldaat. Komop jij! De radio!"
De soldaat leek verstijfd van angst zich in de grond te willen graven en schreeuwend van kwaadheid trok de luitenant hem aan z'n arm. "En zet verdomme je helm op!"
De verbindingsman rolde half opzij en toen pas zag de officier dat hij alleen een arm vasthield met de hoorn krampachtig in de verstijfde hand geklemd. Hij zag de bewegende mond van de soldaat en boog over hem heen. Maar hij verstond het niet. De mond gilde zonder geluid te maken. Toen trok een grimas van onvoorstelbare pijn over het jonge gezicht en het hoofd zakte weg. De ogen bleven open en staarden in de verte.
De luitenant probeerde gericht vuur af te geven op het dorp, nauwelijks twintig meter van hem af. Heel even zag hij tussen de hutten van het dorp een rennende schim en opnieuw vuurde luitenant Doue vanaf de heup. Maar de opspattende aarde van inslaande granaten verhinderde het zicht en verder vechten was zinloos.
Nooit eerder in zijn jonge leven was luitenant Doue, Paracommando van het eerste regiment Merdekka Irian Jaya, zo radeloos geweest. Zijn mannen die in het dorp de posten hadden moeten uitschakelen, maakten geen enkele kans. Maar zijn opleiding was hard genoeg geweest om zichzelf weer onder controle te krijgen. Hij rukte de radio weg bij de dode ordonnans en sprong overeind. "Ieder voor zich!" brulde hij en rende weg bij een nieuwe regen van inslaande mortiergranaten. Om zich heen zag hij de lichamen van zijn soldaten die uiteen werden gereten alsof een reusachtige hand hun borstkas open scheurde. Nog eenmaal draaide de luitenant zich om en vuurde vanaf de heup op het dorp in een nutteloze poging de tegenstander uit te schakelen. Deze keer werd het een vlucht van de dood toen hij wegrende. Ongehinderd wist hij het pad te bereiken dat hem terugvoerde naar de rivier en dieper de bush in. Op het verzamelpunt trof hij enkele van zijn para's aan die hem volgden op zijn vlucht, weg van de kampong. Hij draaide zich even om en zag een grote soldaat achter hem.
"Neem jij de radio en zoek contact met het hoofdkwartier!" Rennende hing hij de zware apparatuur over de schouders van de man. "De aanval is afgeslagen! We hebben versterking nodig! Geef het door!" Nog steeds brulde luitenant Doue zijn orders terwijl de stilte om hen heen weer bezit nam van het oerwoud bij het licht van de eerste zonnestralen.
"Jawel luitenant!" De soldaat rende hijgend voor de officier uit terwijl hij tevergeefs in de hoorn schreeuwde." Geen reactie, luitenant! Alleen nog maar geruis!"
"Blijf het proberen. Ze moeten vannacht versterkingen droppen. Anders redden we het niet!"
Nog steeds rende het sterk uitgedunde peloton langs de kali dieper het oerwoud in. Het enige doel was om zover mogelijk weg te trekken van het dorp waar hun maten de dood vonden. Hun volgende verzamelpunt lag op ruim een dag lopen in noordelijke richting. Daar zou de rest van het uiteen geslagen peloton zich opnieuw groeperen om die verdomde Belanda's uit te roeien. Ze waren ervan overtuigd dat zij in het oerwoud de beste waren. Guerrillaoorlog, daar waren ze voor opgeleid. Maandenlang hadden ze moeten afzien en het oerwoud was hun terrein.
"Bij al mijn heilige voorvaderen," riep luitenant Doue vertwijfeld uit.
"Ik moet mijn mannen zien te verzamelen. Anders maken we geen schijn van kans." De jonge officier rende voor zijn mannen uit terwijl hij zijn kompas raadpleegde. "Steeds maar in noordelijke richting," mompelde hij voor zich uit. "Daar moet ik de rest van mijn peloton verzamelen." Heel even dacht de luitenant nog aan de gewonden die hij 's nachts op de droppingzone had moeten achterlaten. Hij hoopte dat deze mannen de kracht hadden om voor zichzelf te zorgen. Hij, Doue kon het niet meer.

Commentaren: 0