PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 3

PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN

Bojo, de oude inlandse spoorzoeker, had die nacht voor het eerst
"vuurwerk" gezien. Eigenlijk kon hij het begrip, vuurwerk, niet. Maar hij had het geleerd van de orang, mens, mariniers. De mens Wije had hem gevraagd hoe hij, Bojo, het vuurwerk had gevonden. Hij had de mens Wije verbaasd aangekeken en niets doms durven zeggen. Daarom had hij maar flink gelachen. Maar de Sobat, hij noemde de marinier vriend, had het hem toch verteld. En nu wist Bojo dat vuurwerk veel harde klappen gaf en veel mensen doodde zonder dat je erbij was. De aanval die nacht op het dorp was voor de oude inlander een geheel nieuwe ervaring geweest. Al die doden in de tuinen, terwijl de mensen mariniers daar niet geweest waren. Tenminste niet eerder voor het licht was. Hij had in de tuinen gezien hoe dode mensen er na zoveel vuurwerk uitzagen. Armen en benen die niet meer aan het lichaam zaten. Ook de hoofden waren vaak weg. En dat zonder koppen te snellen.
Bojo was ook bij de aanval op de grotten geweest, maar toen had hij gezien dat de mensen mariniers met ijzeren ballen gooiden. Dat was ook vuurwerk geweest, maar dat had hij leren begrijpen. Ook had hij in al die maanden dat hij met de mensen mariniers meeging, geweren leren kennen. Dat was voor hem in het begin ook tovenarij, maar hij had geleerd dat het niet veel anders was dan zijn grote boog met de lange pijlen. Of zijn manshoge speer waarmee hij tot op vijfentwintig meter kon doden als hij ging jagen. Maar hij vond de geweren toch veel gemakkelijker dan zijn speer. Die geweren maakten wel veel lawaai, waardoor het vele wild vaak wegrende als de mensen mariniers niet raakschoten, maar je kon ze steeds opnieuw gebruiken.

 

Na het vuurwerk wilden de mensen mariniers meteen het dorp uit en Bojo had al snel het brede spoor opgepakt dat de bruine soldaten hadden gemaakt. Samen met de mens Wije moest hij zoeken waar de soldaten uit de hemel vandaan kwamen. Bojo ging graag met die mens Wije op pad. De oude inlander keek opzij en grijnsde breeduit naar de marinier naast hem. Hij mocht die Sobat Wije wel omdat deze zich, net als hij, in het oerwoud thuis voelde. Hij was een scherp waarnemer en had vaak gezien dat zijn Sobat Wije in de kampong onrustig was. En nu waren ze samen weer in het oerwoud.
Bojo was een natuurmens die lang geleden zijn familie had verlaten en vooral nog in het oerwoud leefde. Heel af en toe maakte hij nog wel eens de tocht naar zijn geboorte dorp, maar het leven daar verveelde hem al snel. Het was zijn recht om als man te leven, maar hij wist heel goed dat een man ook plichten had. Al hadden deze plichten voor hem een ruim begrip, Bojo wist alles van de natuur en volgde in bijna alles wat hij in de natuur waarnam. Daarom verdeelde hij deze plichten ook. Een man moest voor kinderen zorgen en dat deed Bojo dan ook. Hij had veel kinderen omdat hij ook veel vrouwen had. En door al die vrouwen was hij een graag geziene gast in de vele dorpen waar zijn vrouwen woonden. Hij bracht ook altijd geschenken mee. Meestal bestonden deze uit de wilde varkens die hij met zijn speer gedood had. Ja, dit was het leven van zijn voorouders. Dit waren de oude waarden van het leven. Hij kon in de dorpen ook altijd veel verhalen vertellen waar de andere mannen graag naar luisterden. De meeste mannen bleven deze dagen teveel in hun eigen dorp, omdat ze van de paters geleerd hadden de grond te bebouwen. Daardoor hoefden ze niet steeds verder te trekken als de tuinen geen voedsel meer gaven. Maar meestal verveelden de mannen zich en luisterden ze daarom graag naar zijn verhalen. De mannen in de dorpen lieten hun vrouwen de grond bewerken en alleen als ze op jacht gingen verlieten, ze nog hun dorp. Vroeger werd er nog vaak gevochten als andere dorpen de vrouwen hadden geroofd of een boom gekapt hadden die bij hun eigen dorp hoorde. Maar nu waren er geen oorlogen meer. Daar hadden de paters wel voor gezorgd. Maar de paters waren niet blij met hem, Bojo, al was hij een goed Christen. Hij snelde geen koppen meer en at zijn vijanden niet meer op. Iets wat zijn vader nog wel gedaan had. Maar volgens de paters mocht hij maar een vrouw hebben. Maar hij, Bojo, moest toch voor kinderen zorgen? En nu was er weer oorlog, maar de dorpsbewoners wilden het niet weten. Ze vluchtten liever het oerwoud in. Maar hij, Bojo, ging liever met de mensen mariniers mee, die voor hun de oorlog vochten.
Bojo keek weer naar de mens Wije die hem zoveel verhalen vertelde die, tot zijn grote verbazing, zijn vader vroeger ook vertelde. Ook de oude mannen in de dorpen hadden hem deze verhalen verteld.
Vroeger waren er gele mannen naar Nieuw Guinea gekomen, dat begrip kende Bojo ook niet omdat hij alleen maar de dorpen kende waar hij soms kwam. Deze gele mannen voerden oorlog met zijn, Bojo's, volk. Toen kwamen er andere Belanda's die voor zijn volk vochten. Maar de gele mannen gingen het oerwoud in waar de blanke mannen hen niet konden vinden. Toen hadden de Belanda's geld gegeven voor elke stel gele oren die zijn volk wist buit te maken. Zo werden vele gele spleetoogvijanden van zijn volk gedood, hun oren afgesneden en verkocht aan de Amerikanen. Deze witte Amerikanen waren onbekend voor Bojo, maar het waren vrienden van de mens Wije, dus ook zijn vrienden.
Bojo had goed naar het verhaal geluisterd in zijn verlangen naar de oude waarden van zijn voorvaderen. Een geschiedenis vol heldendaden van een groots en trots volk. Het volk van Papoea Barat. Maar ook nu waren er de jongeren die vol weemoed luisterden naar deze krijgshaftige geschiedenis. Daarom wist hij, Bojo, de jongeren af en toe mee te krijgen om de mariniers te helpen in deze strijd. Hij leerde hen de sporen te lezen in het oerwoud. Maar hij kende deze verhalen die de mens Wije hem vertelde. Dat maakte hun vrienden. Opnieuw keek hij opzij en in een gevoel van vriendschap gaf hij de mens Wije een klap op z'n schouder. De mens Wije was immers zijn Sobat. Zijn vriend keek ook naar hem en wees toen naar de grond. Daarom mocht Bojo de mens marinier zo graag. Hij hoorde ook in het oerwoud en wist de sporen te lezen, net als hij. De bruine soldaten waren de bergen ingevlucht, maar een ander spoor kwam, waar de zon opkwam, uit het oosten. Daar was het oerwoud erg dicht met veel hoge bomen en lage begroeiing waar bijna niet doorheen gelopen kon worden. Alleen met het kapmes kon je daarin doordringen. Maar de mariniers wilden die kant op. Dus Bojo ook. Het spoor was duidelijk te volgen en niet ouder dan enkele uren. Het moest die nacht gemaakt zijn. En door de soldaten die nu een andere richting optrokken. De oude sporen waren van de platte voeten door het langzame tempo. Heel anders dan de nieuwe afdrukken die vooral diep waren omdat de soldaten hardliepen. Snel wegtrekkend voor zijn vrienden de mariniers. De mens Wije ging voorop lopen en bewoog zich heel voorzichtig voorwaarts.

Wije keek de oude inlander aan, knikte bijna onmerkbaar met zijn hoofd en wees toen naar het dichte struikgewas. De tandeloze mond vertrok in een brede grijns en spuwde een rode straal van de siripruim uit. Aan de scherpe ogen was niets te merken van de verdovende werking van de vrucht.
Voor de inlanders was het pruimen van deze vrucht, in een combinatie met de pedang vrucht, een manier om een bredere kijk op de wereld te hebben. De verdovende werking en de pijn onderdrukkende siri, was hun manier om in een lichte roes te raken.
De twee zo verschillende mensen hadden nog maar weinig woorden nodig om elkaar te begrijpen. Beide mannen hadden de geur geroken van de scherpe Kretek. De kruidnagel sigaretten van de bruine soldaten.

 

De marinier boog af naar rechts en leidde de kleine eenheid dieper het onbegaanbare oerwoud in. Weg van de geur die de bruine soldaten maakten. Opnieuw hoefden de beide zo verschillende mensen niets te zeggen. Bojo wist waarom de mens Wije een andere richting opging. Deze keer was het aan het volk van Bojo om veel eer te behalen.
Bijna geruisloos zetten de mariniers hun voeten neer om ieder geluid zoveel mogelijk te dempen. De patrouille trok nog een half uur verder en opnieuw keken de marinier en inlander elkaar aan. Daarna draaide Wije zich om, stak zijn hand op en liep naar achteren toen de patrouille in dekking ging. De marinier knielde naast de korporaal op de grond. "Het is beter als we ons hier splitsen," fluisterde Wije." Als je het goed vindt neem ik Bojo mee."
Zwijgers probeerde meer van de omgeving te zien, maar de dichte begroeting gaf hooguit vijf meter zicht. "Enig idee of hier nog van die gasten zitten. Ze zijn in het donker afgesprongen, dus alle kans dat er doden of gewonden zijn."
Wije keek hem rustig aan en zei onverschillig. "Volgens Bojo is er weinig kans dat ze hier zitten, maar ik wil het zeker weten."
"Prima. Dan gaan we hier uiteen en nemen ieder een eigen sector om de omgeving uit te kammen." De korporaal spreidde zijn stafkaart uit en liet het aan de marinier over om een route te kiezen. Daarna wees hij een verzamelpunt aan. "Waar die twee kali's bij elkaar komen hebben we ons rendez-vous." Zwijgers keek Wije aan. "Een uur moet genoeg zijn. Mee eens?" De korporaal wachtte het antwoord niet af en gaf zijn eigen ploeg een teken om hem te volgen. "Van Dalen, jij en jouw mannen gaan met mij mee."
Wije bleef nog even wachten tot het oerwoud de ploeg van Zwijgers had opgeslokt. "Oké Bojo. We gaan erop af." Meer hoefde hij niet te zeggen.
De marinier bracht zijn kleine ploeg terug op het spoor dat ze eerder hadden gevolgd, gesproken werd er niet meer. Zelfs niet toen Wije zijn hand opstak en een teken gaf om dekking te zoeken. Daarna wees hij met z'n hand in drie richtingen en zo voorzichtig mogelijk verspreidden zijn mensen zich om in dekking te gaan. Hun wapens gereed om vuur af te geven als het nodig was.
Opnieuw keek de marinier de oude inlander aan en beide verdwenen dieper het oerwoud in .
De geur van de Kretek sigaretten was zelfs nog sterker geworden en voorzichtig schoof Wije op z'n buik naar voren, elk takje opzij leggend. Bojo hoefde niet te gaan liggen om elk takje te vermijden maar volkomen geruisloos sloop deze naast de marinier door de bijna ondoordringbare jungle.
De soldaten leunden uitgeput tegen enkele boomstammen, hun wapens hadden ze achteloos naast zich op de grond liggen. Gretig trokken ze aan hun kruidnagel sigaretten, genietend van de rust na het zware werk.
Wije zag hun gescheurde uniformen en het bloed dat door de stof heen, zichtbaar was. Sommigen hadden hun been provisorisch gespalkt met stevige ruwe takken. Anderen hadden hun arm in een draagdoek, of bebloed verband om hun borst.
Geruisloos kropen Wije en de inlander tot vlak achter de uitgeputte para's en bespiedden de omgeving. De marinier zag het graf waar de soldaten hun makkers begraven hadden. Niet meer dan een opgeworpen heuvel met daarop een stok en een groene baret. In de bomen hingen de parachutes nog die zoveel mannen het leven hadden gekost.
De marinier en de oude Papoea keken elkaar weer aan, kropen geruisloos naar achteren en gunden zich een korte rust. Wije wees op de uitgeputte en gewonde para's, haalde een hand langs z'n keel en toen langs zijn oren. Bojo grijnsde en in zijn ogen verscheen een blik van verstandhouding. Hij zou weer strijden zoals zijn voorouders.
De drie mariniers waren verrast toen Wije en de inlander ineens opdoken en het teken kregen weer voorwaarts te gaan. Maar Wije speelde deze keer een spel met zijn eigen mensen, vast van plan om de oude inlander de eer te geven om voor zijn land te strijden. Daarom hield hij zijn mensen uit de buurt van de gewonde para's die hij en Bojo gevonden hadden. Hij liet zijn kleine ploeg nog enige tijd nutteloos de omgeving verkennen voor ze terugtrokken naar het rendez-vous gebied.

Korporaal Zwijgers had zijn ploeg in dekking langs de snelstromende rivier en keek Wije vragend aan.
Ook tegen Zwijgers liet hij zich niet uit over de vijandelijke eenheid en schudde in een spijtig gebaar zijn hoofd. "Helemaal niets. Ik denk dat die gasten er vannacht goed vanaf gekomen zijn. We vonden niets dat erop wees dat ze daar geland waren."
"Het was in ieder geval een goed voorbereide actie als die para's zelfs hun sporen zo goed gewist hebben. Meestal vinden we nog de nodige chutes in de bomen." De korporaal leek te aarzelen en keek Wije scherp aan. "Je vergist je toch niet, hé?"
De korporaal wilde nog iets zeggen toen Bojo, die al die tijd rustig gehurkt naast hen had gezeten, hem aanstootte. "Mij gaan naar dorp Aktata. Moeten familie opzoeken. Met nieuwe zon weer terug."
Zwijgers keek de inlander verbaasd aan en haalde toen z'n schouders op. Die lui waren vaak zo onberekenbaar. Maar hij wist dat de gids ook niet was tegen te houden als deze iets wilde. Hopelijk zou Bojo morgen weer terug zijn. "Rustig aan hé Bojo," grijnsde Zwijgers nog, wetende dat de inlander genoeg vrouwen had om een hele geweergroep mee te voorzien.
Toch keek de korporaal de oude inlander peinzend na toen deze zich abrupt omdraaide en wegliep. "Oké mannen!" De korporaal zuchtte eens diep .
"Omhangen en volgen! Terug naar Mam Boeni-boeni!"

Bojo keek niet meer achterom toen hij de mensen mariniers verliet. Hij was een vriendelijk mens, maar om twee keer afscheid te nemen was teveel. Hij had gezegd weg te gaan, wat al een afscheid was en beloofd terug te komen als de nieuwe zon er was.
Bojo had alles gezegd dat nodig was, meer woorden waren overbodig. In de natuur gebeurde niets dat overbodig was.
Bomen en planten gaven vruchten of bloemen als de tijd daar was. Ook de dieren doodden alleen als het nodig was. Niet uit overdaad.
Bojo mocht die mensen mariniers graag, maar ze deden vaak dingen teveel, zeiden dat ze weggingen, gaven nog een hand als groet en draaiden zich nog enkele malen om en zwaaiden.
De mens Wije was bijna zoals hij, Bojo. Liep weg en keek niet meer om. Ook in het oerwoud maakte de mens Wije niet meer gebaren dan nodig was. Helemaal waar was dat niet. Bojo glimlachte. Als de mens Wije over de grond kroop, legde hij toch nog alle takjes opzij. Maar de mens marinier zou wel leren om geheel geruisloos, zonder teveel gebaren, door het oerwoud te trekken. Ja, Bojo mocht de mens marinier Wije wel. Het was zijn sobat. Vriend, zoals de mariniers het noemden.
Bojo deed geen moeite geruisloos te lopen, dat hoefde ook niet. Het was zijn natuurlijke manier van bewegen. Hij wist dat het dorp Aktata een goede keus was. Hij had al vaak met de mannen om het vuur gezeten om verhalen te vertellen, of te luisteren naar de heel oude mannen. Oude mannen zoals zijn vader. Die heel oude mannen hadden nog eer behaald in nu vergeten oorlogen. Ze hadden nog de hoofden van hun vijanden opengemaakt en de inhoud opgegeten. Net als het zachte vlees van dijen en billen. Kracht en wijsheid opgedaan na bloedige vetes. Niet uit haat, maar als overwinnaars. Het volk van Bojo kende geen haat. Net als de dieren doodden ze alleen als teken van kracht. Hij haatte ook de soldaten uit de hemel niet. Zelfs niet toen hij de lijken van zijn volk zag die de bruine mannen hadden vermoord. Ze deden het omdat ze sterker waren.
Bojo dacht aan de woorden van de mens Wije. "Veel gevangenen niet goed. Een gevangene meenemen kost twee mariniers als bewaking. Dan gaat er veel kracht van de patrouille weg."
Hij, Bojo, was al veel met de mensen mariniers meegeweest. Ze waren veel sterk. Lang in het oerwoud met zware rugzakken. Deelden hun voedsel met het volk van Bojo. Of aten net als Bojo, knollen die in de aarde groeiden. Of klopten sago uit de bomen om koeken van te bakken. De mensen mariniers liepen ook nooit weg als ze moesten vechten.
Ja, vrienden mariniers veel sterk. Bruine soldaten, vaak vluchten voor mariniers. Bang om te vechten.
Bojo was niet bang, hij was als de dieren in het oerwoud. Als de wilde zwijnen. Die vochten ook als ze hem zagen. Maar de dieren behaalden geen eer. En dat wilde Bojo wel. Daarom ging hij naar het dorp. Niet voor de heel oude mannen. Die waren vermoeid. Ook niet de mannen die Bojo's broer konden zijn. Die kauwden alleen nog maar siripruimen en droomden over het vroeger uit de verhalen. Maar de jonge mannen die altijd zo geboeid, maar ook lachend, naar de verhalen luisterden.
Het was nu feest in het dorp. Er zouden varkens en geiten worden geslacht. Eerst zouden de heldendaden van vroeger worden uitgebeeld in krijgshaftige dansen. Met rode en gele beschilderde gezichten. De speren zouden krijgshaftig tegen de schilden worden geslagen. De messen geslepen, gereed voor de slacht. Vroeger gereed voor de strijd.
Bojo had al die tijd de trommels al gehoord en paste zijn voortbeweging door het oerwoud aan bij de ritmische slagen. Steeds sneller gingen de trommels tot Bojo als een hert door het oerwoud bewoog. Lichtvoetige passen of sierlijke sprongen. Zijn ademhaling ging niet versneld toen hij het dorp inrende. Nog eenmaal verwisselde hij de rode siripruim om kracht op te doen voor de strijd.
Hij vond zijn plek tussen de dansers en wisselde schuifelende passen af met de sierlijke bewegingen van de roofvogels.

De dansende kring werd steeds kleiner en alleen de sterksten bleven doorgaan. Wilde wervelingen, elkaar in het spel bedreigend met de speren. Af en toe een snee met het mes om als teken van manlijkheid de armen te openen.
Toen begon Bojo te zingen. In zijn liederen verhaalde hij van grote heldendaden. De strijd tegen de gele mannen met de schuine ogen. Zelfs de mensen mariniers werden bezongen. Hun strijd tegen de soldaten uit de hemel. Er waren teveel bruine mannen die de mariniers niet konden doden, zong hij, omdat ze in het oerwoud verborgen zaten.
Zijn liederen waren soms vol spot over verloren eer, terwijl de bruine mannen zo dicht bij het dorp waren. De bruine mannen hadden geen eer. Ze waren sterk, maar zonder eer. Ze doodden omdat ze bang waren zelf dood te gaan. Ze hadden geen eer.
Het laatste zong Bojo in een bijna eindeloos refrein. De bruine mannen hadden geen eer en zonder eer kon een man niet leven.
De jonge mannen herhaalden het refrein en wilden krijgers worden die veel eer behaalden. Grote krijgers als de heel oude mannen.
De eenvoudige trommels, niet meer dan uitgeholde boomstammen, veranderde van toon. Het wilde opzwepende ritme ging over in een dreigende toon. Dof galmde het geluid tot ver buiten het dorp en begeleidde de kleine stoet. Het woeste dansen veranderde in soepele bewegingen op hun weg door het dichte oerwoud. De laatste dreigende tonen van de trommels werden tegengehouden door de hoog oprijzende bomen. De woeste blikken in de ogen werden bedachtzaam. De dansers werden een met het oerwoud. De natuurmens paste zich aan bij de stilte van de jungle. Ze hoefden geen takjes opzij te leggen en hun voeten plaatsten ze op de juiste plek zonder geluid te maken. Ze zongen niet meer, maar net als met de jacht werkten ze met gebaren. Twaalf krijgers voor zes vijanden. Ze kwamen geruisloos, zoals ze onder de wind een hert naderden. Hun zwarte lichamen gleden vooruit. De gele en rode beschilderingen waren de kleuren uit het tropische oerwoud. Zwarte handen smoorden elk geluid. Messen sneden de bruine kelen open .
De bruine mannen uit de hemel waren zonder eer. Ze vochten niet. Hun oren waren de krijgsbuit. Ze werden gedroogd en dichtgeschoeid boven rookloze vuurtjes. Ze dienden als sieraad te midden van de tanden van de wilde zwijnen aan de ketting om hun zwarte hals.
De terugtocht naar het dorp was geen vlucht voor de natuurmensen. De zwarte mannen dansten als gazellen na het behalen van zoveel eer. Ze konden hun krijgshaftige verhalen vertellen als ze om de vuren zouden zitten.

 

Korporaal Kabar, had met eindeloos veel pijn en geduld zijn gebroken benen gespalkt. Het was vooral de pijn geweest toen hij de botten, die door het vlees naar buiten staken, terugdrukte. Eerst was er de opwinding geweest na zijn sprong uit het vliegtuig en de verdoving door z'n val in de bomen. De takken hadden zijn schouder doorboord, gezicht opengehaald en trotse uniform gescheurd. Zwaaiend was hij blijven hangen. In het duister was de grond niet te zien en de korporaal hoopte maar dat de val te overleven was. Maar hoog kon het nooit zijn. Het leger wist immers waar het zijn trotse Eerste Para Raiders moest droppen. Toen had hij zijn springharnas losgemaakt. Maar de bomen waren hoog geweest en de klap dan ook hard. Zijn beide benen waren gebroken. De wereld om hem heen was in volstrekte duisternis gehuld en hij had zich verbitterd gevoeld toen het peloton was weggetrokken. Maar Kabar was lang genoeg soldaat om te weten dat er voor gewonden geen tijd was. De actie tot een goed einde brengen was immers het doel van hun eenheid. Hij vertrouwde erop dat zijn peloton, na de overwinning, hem zou komen ophalen. Liggend op z'n buik was Kabar rondgekropen om de anderen te zoeken die er het slechts aan toe waren. Niet meer dan vijf man verspreid over de droppingszone. In de hoge bomen hingen de parachutes met de levenloze lichamen van nog vier mannen. Dat was voor een later tijdstip. Veel kon hij niet doen voor de gewonde soldaten. Ze hadden alleen maar hun eigen uitrusting met enkele rolletjes noodverband en morfine injecties voor de eerste verzorging. Opnieuw had korporaal Kabar met veel moeite en pijn de soldaten geholpen. Hij had borst- en schouderwonden behandeld en gebroken armen en benen gespalkt. De doden hingen nog steeds aan hun chutes in de bomen tot enkele meters boven de grond. Te hoog voor hem om die naargeestige aanblik te verwijderen. Maar dat was voor latere zorg. Korporaal Kabar verwachte geen aanval en deelde sigaretten uit. Hij inhaleerde de scherpe rook van de Kretek met diepe teugen. Sommige van de jongere soldaten hielden hun wapens schietklaar op hun benen, maar Kabar legde geruststellend zijn hand op hun schouders. Ze hoefden niet meer te vechten. Als het peloton terugkwam van de overwinning, waren ze de bevrijders.
Eindeloos langzaam verstreek de tijd en korporaal Kabar was blij toen de eerste zonnestralen door het dichte bladerdak braken. De omgeving kreeg meer vorm en onthulde de sinistere wereld om hem heen. De hoge bomen wezen met hun kruinen tientallen meters de hemel in. Ook de lichamen die nog aan de parachutes hingen leken minder luguber. De dode lichamen van de eens zo trotse soldaten. De korporaal hoefde niets te zeggen toen hij op z'n buik naar zijn rugzak kroop, deze openmaakte en er een touw uithaalde. De andere soldaten volgden zijn voorbeeld. De mannen die nog konden lopen gingen onder de doden staan en wierpen de lijnen om hun benen. Het was een zware klus. Het sterke nylon van de parachutes scheurde en alleen daardoor kregen ze alle lichamen uit de hoge bomen. Met misselijk makende klappen vielen de levenloze lichamen op de grond. Met hun vechtmessen en handen groeven gaten in de harde bodem, sleepten de dode kameraden erheen en ze hielden een korte stilte. Meer dan een kort gebed was het niet. Allah zou hen, als goede Moslims, welkom heten in het paradijs. Met veel geduld wierpen ze aarde op het graf, plantten er een stevige tak op, met een groene baret als laatste eerbetoon. Hun kameraden waren gesneuveld voor het vaderland.
De hitte onder de hoge bomen nam toe, maar de mannen voelden het niet. Ze waren deze hitte gewend in hun eigen land. Maar vooral waren ze te uitgeput door de verwondingen om iets anders te voelen dan de pijn.
De korporaal was een goede soldaat die zich vooral om zijn mannen bekommerde. Het waren vaak nog jonge knapen die tot nu toe niet veel anders van het leven wisten dan het harde werken op de velden. Of het sobere leven in hun dorpen. Hij kroop steeds naar elke soldaat en wist hen met een opbeurend woord op hun gemak te stellen. Natuurlijk zouden de sergeant en luitenant terugkomen om hen op te halen. Ze werden niet vergeten of achtergelaten. Ze waren immers de trots van het leger. De parachutisten van het Eerste Regiment Raiders. Ze vochten een Merdekka. Een vrijheidsstrijd voor Irian Jaya. Die Hollanders stelden immers niets voor. Zij, de para's, waren de soldaten die voor het grote volk van Irian Jaya opkwamen. Uitgeput pauzeerde de korporaal een ogenblik en gulzig zette hij z'n veldfles tegen zijn mond. Maar toen kroop hij opnieuw naar zijn mannen en gaf hen te drinken. Zelfs de soldaten die nog konden lopen deden geen poging hun vermoeidheid nog langer te onderdrukken en lagen uitgestrekt op de grond te slapen .
Suffig leunde Kabar tegen een van die vervloekte bomen en droomde over zijn land. Zijn kruidnagel sigaret bungelde in zijn mond. Het wapen lag achteloos naast hem op de grond. Kabar zag het zelfs niet toen zijn wapen werd weggetrokken.
De zwarte lichamen, met de beschilderde gezichten, vielen niet op in de dichte begroeiing. Volkomen geruisloos gleden de blote lichamen over de harde grond. Ze wisten elk takje te ontwijken, zonder het opzij te leggen op hun sluipgang naar de uitgeputte soldaten.
Heel even opende korporaal Kabar zijn vermoeide ogen om naar de slapende soldaten kijken.
Terwijl een sterke zwarte hand ieder geluid smoorde, sperde Kabar angstig zijn ogen wijd open. Maar alle licht verdween uit zijn ogen toen een mes zijn keel opensneed. Toen zijn oren werden afgesneden, voelde Kabar dit niet meer. Voor hem was de oorlog voorbij.