PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 4

Veel foto’s zijn afkomstig uit de site: Mariniers Nieuw Guinea ’61-’62 en eigen collectie.

“Hé eerste, moeten we die hele kolerezooi meenemen? Gaan er dan geen dragers mee?" De mariniers Meurs en Rijke keken naar de grote voorraad rantsoenen die voor de hut stonden opgestapeld.
Wije zuchtte diep en liet de kist munitie, die hij had meegesjouwd, bijna op de voeten van de Limburger vallen. "Niet zeiken jullie. Gewoon je rugzakken vullen. Ik loop verdorie niet voor Jan met de korte achternaam te slepen."
Hij grijnsde. "Ik weet trouwens zeker dat jullie voor al dat vreten nog wel een plekje vinden. Daarna mogen jullie de extra munitie verdelen." Wije ging op het trapje voor de hut zitten en begon op z'n gemak een shaggie te draaien. Hij keek naar de bedrijvigheid in de kampong waar ook de andere geweergroepen bezig waren zich gereed te maken om op patrouille te gaan. Ondanks de doden van die nacht waren de mannen te druk bezig om daar lang bij stil te staan. Ze hadden een goeie drijfveer. De daders pakken die afgelopen nacht de aanval hadden uitgevoerd.
Sergeant Loppes liep nerveus van de ene ploeg naar de ander en het voornaamste voor hem was, dat de mariniers er, ondanks de bedrijvigheid correct uitzagen en het dorp hermetisch afsloten.
Zelf had hij ook al de nodige kritiek van Loppes gehad. Deze vond dat hij, Wije, er niet uitzag. Wije haalde smalend zijn schouders op bij de gedachte aan het vele werk dat hij al had verricht. Eerst de doden tellen in het gebied rond het kamp om daarna het duidelijke spoor te volgen dat de vijand in zijn vlucht had achter gelaten. Daarna meteen aan de slag om de voorraden te halen vanwege de komende actie. Hij had zelfs niet eens gegeten. Om het maar helemaal niet te hebben over het tekort aan slaap. Wije keek naar zijn schoenen terwijl hij bijna gedachteloos een hand langs zijn gezicht haalde om het zweet, dat nu al langs z'n kop liep, weg te vegen. Hij zag er inderdaad niet uit met zijn stoppelbaard en gescheurde uniform. De scheur liep precies bij z'n ballen. Dat laatste moest in zijn gevecht met die Pelopper sergeant gebeurd zijn. Nog een geluk dat hij in het donker dat mes had kunnen ontwijken. Sergeanten stellen ook niets voor, dacht hij stil voor zich uit.
Babyface haalde hem uit zijn gedachten. "We hebben vannacht amper geslapen." Nijdig gooide hij zijn rugzak op de grond en keek opnieuw naar de voorraden die hij moest meesjouwen. De jonge marinier zei een tijdje niets terwijl hij mokkend zijn rugzak inpakte. Toen barstte hij los. "Ik had vannacht wel kunnen sneuvelen.”
"Inderdaad jongen, maar je leeft nog! Dus zit niet te zeiken Pietje. Wij zijn infanteristen en niet een stel stomme mortierristen. Dat is ander volk. Daar zijn wij te goed voor. Jij zit te zeuren dat je dood had kunnen zijn, hé. En die messentrekkerij van jouw dan? Geef daar eens antwoord op. Als je een mes trekt weet je dat ze jou ook naar de hel kunnen helpen. Anders ben je een waardeloos lefgozertje."
"Dat is heel wat anders. Daar ben ik zelf bij."
Opnieuw bleef het een tijdje stil en Wije begreep die spanning wel na afgelopen nacht. Hij had dit al eerder meegemaakt.
Babyface ging stug door met zijn rugzak in te pakken, maar kon niet nalaten nog even flink te kankeren. "Het lijkt godsamme de opleiding wel met meerdaagse patrouilles."
"Bijna goed, kleine. We gaan voor twee weken het oerwoud in, daarom al die klerezooi die we moeten meesjouwen. Jij wilt toch ook achter die gasten aan? Maar Pietje Rijke, zit niet te zeike." Wije lachte en dacht bij zichzelf. Dat rijmt ook nog. Misschien zit er in de toekomst wel een groot dichter in me. Hij keek Babyface aan en zag de wallen onder de ogen van de jonge marinier. Opnieuw dacht hij. Het is niet alleen een driftige messentrekker maar ook nog zo jong voor peloton 555. Amper 20 en dan al op mensenjacht. Wije keek op zijn horloge en aarzelde even. "Ach wat, verdomme. We hebben nog ruim anderhalf uur. Wegwezen jij. Wij regelen de rest wel."
Peinzend keek Wije Babyface na die in de hut verdween. Die jongen heeft rust nodig zolang het nog kan. Deze week zal er weinig van slapen komen.
Sijne had nog niet veel gezegd, maar scheen zijn gedachten te raden. "Hij redt het wel. We moeten hem gewoon de kans geven. Het is vooral de spanning van de afgelopen nacht. Daar is die jongen behoorlijk van onder de indruk." De Brabander tilde zijn goed gevulde rugzak op en schudde tevreden zijn grote kop. "Prima op gewicht. Dat mag ik wel. Een goeie training als ik weer moet worstelen." Daarna keek hij naar de rugzak van Rijke en maakte deze open. "Er kan nog wel wat rommel bij mij in. Die kleine vreet toch minder dan ik."
Wije lachte en gooide de extra patroontassen naar hem toe. "Dan kan dat er ook nog wel bij. Als je maar ook iets voor de anderen laat liggen. Je weet dat we allemaal een extra rantsoen munitie bij ons moet hebben."
Hij keek Meurs aan die net bezig was om een maaltje rijst naar binnen te werken. "Wat ben jij stil Meurs. Maar ik zie het al. Als jij zit te vreten heb je nergens meer tijd voor."
"Misschien dat ik straks geen kans meer heb om me fatsoenlijk vol te proppen." De Limburger nam geen moeite om eerst zijn mond leeg te eten er werkte een nieuwe hap naar binnen. Meurs boog snel opzij toen Sijne een van de patroontassen naar hem toe slingerde. "Stomme zooi, moeten we die ook meesjouwen? Hebben we nog niet genoeg troep bij ons?"
"Niet zeuren, stomme Limburger." Wije probeerde het accent van Meurs na te doen. "Gang foet, doe piemel. Doe moes nich ouwehoeren. Das hab ich doe gezagd." Hij lachte opnieuw toen Meurs hem misprijzend aankeek. "Iedereen sjouwt extra munitie mee nu we voor enkele weken de bush induiken. Dat moet jij trouwens weten." Wije spuwde zijn peuk uit en stond op. "We gaan achter die gasten van vannacht aan en dat is minstens een peloton. De kans op vuurcontact is groot, daarom nemen we geen inheemse dragers mee. Zelfs Bojo, onze speurneus gaat niet mee." Wije liep naar zijn rugzak die hij nog moest inpakken en keek naar zijn jongens. "De vijand heeft vannacht een hoop mensen verloren. Onze mortieren hebben bijna de helft van die gasten uit geschakeld. Er zitten nog hooguit tien of twaalf van die Peloppers in het noorden. Alle kans dat er vannacht een nieuwe dropping komt. Onze groep gaat achter die gasten aan om ze uit schakelen. De anderen ploegen gaan naar de kust omdat er rubberboten zijn gevonden. Dus alle kans dat er infiltranten aan land zijn gezet." Wije wachtte even terwijl hij een nieuw shaggie draaide en rustig opstak. "Als ik jou was zou ik inderdaad nog maar even flink wat vreten naar binnen werken. Het wordt een zware klus. Niet alleen omdat we achter die gasten aangaan, maar ook omdat we inderdaad heel wat rommel hebben mee te sjouwen." Hij wees op de voorraden die nog niet ingepakt waren en begon zijn eigen rugzak in te pakken. "Jullie hebben nog mazzel. Als het nodig is worden we onderweg bevoorraad. Misschien dat het nodig is om in de bush een bivak te bouwen om van daaruit te patrouilleren. Maar zeker is er nog niets. Mochten we in bivak gaan zal de marine de nodige voorraden droppen."
"Je vriend komt eraan." Sijne knikte met zijn hoofd naar Loppes die gehaast hun richting opkwam.
"Marinier, je ziet er nog steeds niet uit, " begon de sergeant meteen. "Je weet dat ik niet duld dat mijn mensen er zo bijlopen! En helemaal geen mariniers die eerste klas zijn! Ook niet na wat er vannacht is gebeurd. Dat is geen excuus."
"Sergeant ik heb nog geen tijd gehad om me te verkleden. Het is vannacht tijdens de aanval gebeurd."
"Niet zeiken Wije. Jouw smoesjes gaan bij mij niet op. Je bent nu alweer ruim een uur terug in het kamp. We gaan enkele weken het oerwoud in en ik verwacht dat je er correct bijloopt." De sergeant keek Wije aan en schudde zijn grote kop. "Je maakt mij niet wijs dat zo'n baard van een nacht is." Loppes ging vlak voor de marinier staan en drukte zijn vinger tegen Wije's borst. "Wij krijgen de komende weken nog een hoop gezeik marinier. Ik ken jou soort. Altijd smoesjes dat ze geen tijd hebben. Als je zo doorgaat neem ik jou je strepen weer af. Is dat duidelijk? Ik houd niet van mariniers zoals jij. Ze verpesten de discipline. En daar houd deze sergeant niet van." Loppes keek naar beide andere mariniers die onverschillig stonden toe te kijken.
Sijne probeerde nog een grijns te onderdrukken maar voor Loppes was het genoeg om kwaad te brullen. "Je hebt jouw mensen zeker gezegd, schijt aan deze sergeant te hebben!" Loppes stond zo groot en massief tegen Wije aan dat hij met zijn borst de marinier naar achteren probeerde te drukken. Kwaad keek hij weer naar beide anderen. "Waar is trouwens Rijke?"
Wije keek de onderofficier strak aan en zei opzettelijk traag. "Die heb ik weggestuurd. Hij heeft zijn rust nodig. Wij zorgen wel voor die jongen z'n uitrusting."
"Zo! Stuur jij mensen weg omdat ze rust nodig hebben." Loppes keek in Wije's ogen, aarzelde duidelijk en werd iets rustiger. "Nou ja, misschien heb je voor deze keer wel gelijk." Maar meteen werd hij weer volop een kazernesergeant. "Als jullie maar om precies negen nul nul uur dertig, staan aangetreden!" De woorden kwamen er brullend uit. Maar dit was voor de sergeant schijnbaar nog niet voldoende. "Is dat duidelijk marinier? Ik wil met jou geen gezeik verder!" Meteen draaide Loppes zich om en liep met grote passen weg naar de commandohut.
De Brabander grinnikte. "Hij moet je wel hebben. Daar kan je nog een hoop gesodemieter mee krijgen."
"Laat maar Sijne." Wije haalde berustend zijn schouders op. "Iedereen is vandaag uit z'n doen. Ook sergeanten.”
Deze keer was het de stevige Limburger die diep zuchtte. "Je bent toch
niet zo'n klootzak als ik dacht."
"Zo is het maar, Meurs. Ik kan nog begrip voor mensen opbrengen." Wije grijnsde en zei spottend. "En dat kan van bepaalde sergeanten niet altijd gezegd worden."
"Hoor die wijze ouwe man. Altijd het laatste woord."
DOOD

Het bivak lag goed verscholen te midden van de dichte begroeiing. De groene muur van het oerwoud omringde de eenvoudige onderkomens. Nog een geluk dat er op het laatste moment toch nog dragers ingehuurd waren, waardoor ze meer voorraden hadden kunnen meenemen. Het meest luxueus was nog de piramidevormige constructie waar alle apparatuur voor de verbinding aanwezig was. De mariniers zelf sliepen op ruwe houten balken met niet meer dan een rubber grondzeil om de nacht op door te brengen. Een schuin aflopend zeildoek beschermde hen tegen de vele regen in het vochtige klimaat. Baleh-balehs noemden de mariniers deze eenvoudige onderkomens. Ze kapten de bomen om een open plek te maken voor hun bivak en gebruikten de stammen om dertig centimeter boven de grond een vloertje voor hun tenten te hebben. De drassige bodem en de vele slangen maakten een bivak op de grond onmogelijk. Hun enige contact van de laatste weken met de buitenwereld waren de radio apparatuur en de voedsel droppingen. Eens per week kwam een vliegtuig over dat de nodige voorraad aan parachutes naar beneden gooide. Eenvoudige maaltijden bestaande uit rijst aangevuld met het vele blikvoer. Of de bekende noodrantsoenen met uitgedroogd krentenbrood en crackers van het jaar nul. Af en toe konden de mariniers de eentonige maaltijden aanvullen met het vlees van de varkens die ze jaagden of de vele vogels die hoog boven het oerwoud cirkelden. Ook leerden ze het vlees te eten van de vier meter lange pythons die meestal snel wegkropen als ze de mannen hoorden naderen. Behalve als de pythons zelf een jong varken hadden opgevreten en bezig waren met de spijsvertering. Ook de Kasuaris, een loopvogel die veel voorkomt op de open vlaktes van Nieuw Guinea, was een geliefd onderwerp van de jacht op vers vlees.
"Heren, het ziet ernaar uit dat er eindelijk weer actie komt." Luitenant Dekkens keek naar het kader dat zich voor de commandotent verzameld had.
Ze hadden de laatste twee weken niet veel anders gedaan dan eindeloze patrouilletochten maken in de hoop een spoor te vinden van de para's die hen 's nacht bij Mam Boeni-boeni hadden aangevallen. De patrouilles stroopten systematische de omgeving af in de hoop aanwijzingen te vinden van de vijandelijke eenheid.
Daarom had het hoofdkwartier besloten dat deze eenheid voorlopig in het oerwoud moest blijven .
"De piloot die vanochtend de voorraden dropte heeft in Nemboektep verdachte bewegingen gezien." Dekkens liet zijn ogen door het bivak gaan waar de diverse groepen bezig waren met het gereed maken om het oerwoud in te gaan. "Het lijkt me het beste om enkele verkenningspatrouilles uit te sturen." Hij keek naar korporaal Zwijgers. "Hoe is het met jouw mensen? Ik wil drie gescheiden eenheden laten opereren omdat we ook nog met die infiltranten aan de kust zitten."
Zwijgers keek opzij naar Wije die rustig een shaggie zat te draaien. "Wel luitenant, ik heb in mijn geweergroep twee prima spoorzoekers. Als er aanwijzingen zijn, vindt hij ze wel."
Dekkens grijnsde even. "Zo te zien heeft Wije er weinig zin in. Zijn baal zware van de weduwe is belangrijker voor hem"
De korporaal gaf de marinier een flinke dreun op z'n rug en lachte toen deze hoestend de rook uitblies. "Hij is nu wel geïnteresseerd luitenant."
"Prima, ik weet dat jullie vandaag op jacht zouden gaan, maar we moeten nu iedereen inzetten." Dekkens stak snel zijn hand op toen de beide mannen van de eerste geweerploeg overeind wilde springen. "Maar denk erom korporaal, het wordt een meerdaagse patrouille. Neem voor een week voorraden mee. Het bivak hier wordt opgebroken. De dragers gaan mee terug die door sergeant Loppes naar Mamboerie wordt begeleid. Mam Boeni-boeni wordt ook opgeheven als thuisbasis. De kampong Mamboerie, aan de grote baai wordt de nieuwe detachering. Houdt daar rekening mee."
Wije keek naar de sergeant die in de commandotent bezig was zijn uitrusting na te kijken. "We zullen de sergeant missen," grijnsde hij. "Ik begon net aan hem gewend te raken."
Dekkens onderdrukte een vluchtige glimlach. "Rustig marinier. Anders stuur ik jou als begeleiding mee naar Mamboerie."
Wije liep naar zijn mannen die ondanks het vroege uur op enkele lege dozen zaten voor hun simpele onderkomen. De mariniers vloekten onderdrukt en hadden meer aandacht voor hun kaartspel, dan de bedrijvigheid in het bivak. "Oké jongens, afbreken die handel. We gaan hier pleite."
"Nog even eerste. Ik sta er net goed voor." De Limburger vloekte opnieuw stevig en sloeg met zijn hand op de grond.
Veel vermaak hadden de mariniers niet en het enige bij daglicht was een spelletje kaarten of een knobbeltje gooien, wat menig marinier zijn katje kostte.
Wije liep achter de jongens om en bleef naast Rijke staan. "Hé kleine. Je moet die aas uitspelen. Dan klop je ze allemaal."
"Rotop kerel, ik ga net zo lekker."
Wije kon het niet nalaten om de jongen op de kast te jagen. Eigenlijk was het meer een gemoedelijke manier om het ploegje in de benen te krijgen.
"Komop, Babyface, speel je aas uit. Je hebt pracht kaarten."
De jonge driftkikker keek hem nijdig aan, sprong kwaad overeind en trok vloekend zijn grote vechtmes.
Wije deed een snelle stap naar achteren. "Weg dat mes! Nu!"
Babyface trilde van kwaadheid en bleef dreigend voor de eerste klas staan die met een snelle beweging het mes wegschopte. Meteen sprong hij naast de messentrekker omhoog, schaarde hem, waardoor ze samen op de grond sloegen. In een beweging stond Wije weer op z'n benen, en trok de jonge marinier omhoog terwijl hij met zijn handen gekruist jaskraag pakte. Met zijn knokkels drukte hij Rijke's keel dicht. "Dit flik je nooit meer bij je maten," siste hij. "Heb je dat begrepen?"
De jonge marinier keek hem met grote ogen, waar de kwaadheid nog steeds in te zien was, aan. "Verdorie eerste. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Meestal gaan die gasten pleite..."
"Ik ben niet die gasten. Wij zijn niet die gasten." Onderbrak Wije hem nijdig. "Is dat duidelijk? Wij zijn je maatjes en dan flik je zoiets niet." Hij keek naar de anderen die vol belangstelling zaten te kijken en gaf een knipoog terwijl hij met z'n hoofd naar de jonge driftkop wees. "Oké, ook voor jullie. Inpakken die handel. We komen hier niet meer terug."

Langzaam danste de mist langs de hellingen omlaag. Elk zuchtje wind blies de grijze deken terug tegen de flanken. Maar de zware vochtige damp daalde langzaam neer en bedekte het dorp. Iedere avond in dit vochtige klimaat leverde hetzelfde spel op. Na de hitte van de dag gleed de mist langs de toppen omlaag in een prachtig spel van dansende acteurs.
Voor de mariniers betekende het dorp een welkome afwisseling in de dagelijkse sleur van eindeloze patrouilles. De uitgeputte mannen joegen al bijna een week op de vijandelijke parachutisten die de piloot in Nemboektep had waargenomen.
Afgebroken takken, nauwelijks waarneembaar, maar duidelijk genoeg voor de verkenners. Wije die de patrouille door het bijna onbegaanbare terrein leidde had van Bojo en de inlanders genoeg geleerd om aan de afdruk van een voet in de drassige bodem de tijd af te lezen. Duidelijk was dat de vijand enkele gewonden bij zich had.
Na dagen van opjagen wisten de mariniers dat ze de vijand inhaalden. Hun tocht bracht ze naar het dal waar de kampong Nemboektep gelegen was.
De marinier had zijn kapmes in zijn foedraal opgeborgen en duwde voorzichtig de takken uiteen. Ook hun favoriete gids , Bojo, had zich bij hun gevoegd, waar Wije toch wel blij mee was. Er mocht niets gemist worden van de sporen.
Toen stak hij zijn hand op en meteen gaf hij het gebaar, dekking te zoeken.
Even later liet Zwijgers zich naast de marinier op de grond zakken. "Wat is het Wije?"
De marinier duwde opnieuw de takken uit elkaar. "Het dorp, korporaal."
De beide mannen bespiedde de ruw houten hutten die ondanks hun eenvoud prachtig gebouwd waren.
"Wel erg rustig," fluisterde de Zwijgers.
"Toch moeten die para's volgens de piloot hier zitten." Wije liet de takken langzaam terug veren. "Tenzij ze verder zijn getrokken. Ik zal de kampong verkennen. Geef me vijftien minuten."
Er werd niet meer gesproken. De marinier kroop twee meter naar links en verdween in het oerwoud. De dichte bush met zijn drassige bodem en een bijna ondoordringbare lage begroeiing dempte elk geluid.
Wije sloop met een grote boog om de kampong en verbaasde zich over de rust die er heerste. Maar juist deze rust maakte hem extra waakzaam. Voorzichtig naderde hij het dorpshuis dat gebouwd was tussen de andere eenvoudige hutten en herkenbaar aan het prachtige houtsnijwerk. Nog steeds drong geen geluid tot hem door. Het zou nog een half uur duren voor de duisternis in zou vallen en de bewoners moesten bezig zijn hun maaltijd te bereiden. Rookpluimen die op het roosteren van een enkele geit of varken duidde. Spelende kinderen die schreeuwend elkaar achterna renden.
Voorzichtig verkende hij de omgeving en kroop op zijn buik onder het dorpshuis door. Eerst hoorde hij het grommen van de kampong honden. Toen zag hij de bewoners. Rukkend aan de op de grond liggende zwarte lichamen deden de honden zich tegoed aan het vlees. Onbeweeglijk bleef de marinier voor het dorpshuis op de grond gehurkt zitten. Na een korte aarzeling pakte hij een steen en gooide. Jankend renden de honden uiteen.
Plotseling kwam hun gids Bojo, als eerste uit de het oerwoud en liep Wije rechtop voorbij. “Bojo! Riep hij. “Jangan. Pergi dari sini, niet doen, wegwezen!” Nooit eerder had Wije verdriet gezien bij deze eenvoudige Papoea. Nu wel. Bojo hief een klaagzang aan.
De marinier was diep onder de indruk, stak hij twee vingers in zijn mond, floot en liep met zijn wapen schietklaar, naar de doden.

 

Langzaam kwam de patrouille uit de bosrand, tussen de hutten door. De mariniers wilden zich verspreiden, zagen toen de uiteen gerukte lichamen en bleven als aan de grond genageld staan. Ook
"Verspreiden, verspreiden," riep de korporaal tegen de verbijsterde jonge mariniers die naar de doden staarden. "Verdomme, verspreiden," vloekte hij opnieuw om de mannen uit hun verstarring te halen. "Van Dalen," riep hij tegen de andere eerste klas marinier. "Jouw mensen beveiligen de kampong. De rest doorzoekt de hutten." Opnieuw zag de korporaal zijn aarzelende mannen die alleen nog maar oog hadden voor de wreedheid die de bewoners was aangedaan. "Komop. Aan het werk!" brulde hij. "Zijn jullie mariniers? Het zijn niet de eerste doden die jullie zien. Straks zijn die gasten nog in de buurt." Hij rende naar de man en schudde hem hardhandig door elkaar. "Komop van Dalen, schietop kerel. Jij hebt dit al eerder meegemaakt."
De eerste klas knikte alleen maar en wees zijn mannen hun stellingen aan.
Opnieuw riep korporaal Zwijgers. "Sons, roep het hoofdkwartier op. Geen teken van de vijand. We moeten verder trekken om ze te achtervolgen en zeg dat we overgaan tot gevechtspatrouille... En vraag meteen om nieuwe voorraden."
De rest van de patrouille doorzocht de kampong. Toen brachten ze rapport uit. "Twee doden, korporaal. De rest van de bewoners moet het oerwoud zijn ingevlucht."

Commentaren: 0