PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 5

MARINIERS MOORDEN NIET ZIJ DODEN

Kokas, gelegen aan de Sekar baai en de Maccluer golf als uitloper van de Ceram zee. Verder landinwaarts de rivieren Boeni-boeni en Kaioeni. Amper een stadje te noemen met niet meer dan een enkele stoffige straat in de droge tijd. Een handelspost voor de vele Chinese toko's, opgetrokken gammele hutten van golfplaten en de stenen post van de inheemse politie. Meer achteraf stonden de simpele, op palen gebouwde onderkomens van de inheemse bevolking. Aan de steiger lagen de motorprauwen afgemeerd waarmee de mariniers of de handeldrijvende Chinezen het achterland introkken. Ook de grote Zephyr rubberboten met de vijfenveertig pk. Jhonsons lagen aan hun lijnen te trekken op de golvende beweging in de baai. De grote rubberboten waren speciaal bestemd om landingen uit te voeren op de kust wanneer er infiltranten werden gesignaleerd. De mannen in de commandopost in Kokas hadden meer comfort dan de mariniers in het uitgestrekte binnenland. Zij konden het zich permitteren om op heuse stretchers te slapen in plaats van de simpele Baleh-balehs die in drassige jungle enig comfort moesten bieden.

 

Majoor Daal keek nog even peinzend naar de hoorn in zijn hand voor hij deze teruggaf aan de marinier van de verbindingsdienst. "Zwijgers heeft assistentie nodig. Zijn verkenningseenheid heeft die Peloppers weer gelokaliseerd." Hij sprak tegen niemand in het bijzonder, maar keek naar de rug van kapitein Keizer. Onwillekeurig grijnsde hij en dacht aan Ankie, de vrouw van zijn kapitein. Hij vroeg zich af of Keizer wist dat hij, Daal, z'n vrouw naaide. Niet dat het echt belangrijk was. Dat naaien tenminste. Het ging niet om echte liefde. Als marinier vond Daal het voldoende om af en toe flink van bil te gaan. Om daarna z'n lul af te slaan op de rand van de schijthuisbril en zonder verplichtingen over te gaan tot de order van de dag. Het Korps was zijn eerste liefde en daarna kwam zijn eigen vrouw. Ankie was zijn liefde, wat elke kerel nodig had. Dat Ankie hem daarna nog verwende met een slok was mooi meegenomen maar niet echt belangrijk. Neuken, zuipen en vechten, was het enige belangrijke in zijn leven. Niet direct in die volgorde en hij verlangde ernaar om zelf naar zijn mariniers te gaan die in dit verdomde land mochten knokken. De vijand aanpakken. Dat was leuker dan die hele verdomde schietbanen. Maar hij kon het niet maken om naar zijn mannen te gaan om zelf de nodige voorraden te brengen en meteen een beetje aktie mee te maken. "Wat denk je Keizer? Sergeant Loppes gaat een landing uitvoeren in de Bintoeni baai vanwege die gesignaleerde infiltranten daar. Zwijgers wil overgaan naar gevechts handelingen."

 

Kapitein Keizer richtte zich op van de stafkaart waarop hij de geplande landing bij Arandai, aan de andere zijde van het Onin schiereiland, had ingetekend. "We hebben alleen die commando van de landmacht, sergeant Berges, met zijn tirailleursgroep bij de hand."
Majoor Daal haalde zijn schouders op en leek niet erg blij met dit vooruitzicht. "Je weet dat ik onze acties liever in eigen hand houd en niet met die verdomde zandhazen." Hij keek naar buiten en zag de drukte aan de steiger waar zijn mensen bezig waren hun uitrusting in de rubberboten te laden. Verdomme, dacht majoor Daal. Eigenlijk hadden ze aan alles gebrek. Te weinig mariniers en materiaal. In het binnenland had de vijand een bijna complete compagnie gedropt, waar hij bijna al zijn mensen op moest inzetten om op te sporen en als het even kon, te vernietigen. En nu die verdomde melding dat er infiltranten waren geland op de kust, waar Loppes als laatste van zijn mensen, op af moest. Hij draaide zich weer om naar kapitein Keizer. "De jongens van de landmacht zijn goeie knapen maar het ontbreekt ze aan bush ervaring. Ze zijn er niet voor opgeleid om weken in het oerwoud te zitten."
Kapitein Keizer liep naar de grote archiefkast en pakte een dossier. "Die commando Berges is een andere kerel. Hij zat al eerder in de bush."

 

Majoor Daal draaide zich weer om, keek opnieuw naar de steiger en liet zijn blik afdwalen naar de landingsboot in de baai die de rubberboten met de mariniers aan boord zou nemen. Het zou voor zijn jongens een landing bij nacht worden en Daal bad in stilte dat die infiltranten al in het oerwoud waren verdwenen. Anders zou het een slachting worden. Die verdomde rubberboten maakten alle Jezus veel herrie. Daarom zouden z'n jongens proberen peddelend de kust te bereiken. Majoor Daal zuchtte eens diep.
"Oké Keizer. Laat Berges maar hier komen en roep meteen Loppes. Dan kan hij die zandhaas wat meer informatie geven."
De kapitein gaf de ordonnans een teken.
"En voor ik het vergeet!" riep Daal nog snel." Laat meteen die Jabie gids komen. Die zandhazen kunnen het vast niet alleen vinden. Nemboektep, daar hebben die gasten nog nooit van gehoord." Hij grijnsde breeduit.
"Als ze tenminste al fatsoenlijk kaart en kompas kunnen lezen. "
"Berges is een kundig man," zei Keizer nog even.
"Ik weet het kapitein, maar ik wil gewoon even kankeren. "
Sergeant Berges was vol goede moed toen hij aan zijn tocht begon in het helse gebied. Hij had er echt zin in om weer eens met die verdomde mariniers te werken. In Roosendaal, bij de commando opleiding, had hij al eerder kennis gemaakt met die zwarte duivels. In alles wilden ze de beste zijn. Dat moesten ze ook wel, had hij begrepen uit hun verhalen. Als ze de commando opleiding niet met goed gevolg volbrachten, werd het door hun maten als falen gezien. En, zoals mariniers zeiden: “Falen, opgeven, dat doen we niet.” Dan konden ze maar beter meteen opstappen bij hun geliefde Korps. Ook bij zijn eerdere samenwerking had hij het naar zijn zin gehad omdat die mariniers zo hun eigen mentaliteit en gedachten hadden. Elke dode vijand was er een minder en de beste Pelopper was een dode Pelopper. In gedachten had hij moeten lachen. Die marinier Loppes had gemeend die zandhaas een goed advies te moeten geven. "Pak dat zooitje ongeregeld stevig aan, want ze deugen voor geen moer. Maar ja," meende die Loppes nog te moeten toevoegen. "Dat zijn jullie als zandhazen wel gewend om met ongeregelde zooitjes om te gaan."
Weer moest de commando lachen. Hij wist ook uit de rapporten dat diezelfde Loppes jaren lang bij de Militaire Politie, na de Indië en Korea, had gediend. En zulke figuren houden alleen nog maar van regeltjes.
Maar Berges was een andere kerel die alweer te lang in het oerwoud zat en liever op z'n eigen intuïtie afging. Toch was hij door het welgemeende
advies van Loppes niet helemaal onbevooroordeeld. Het was een zware tocht geweest voor hij ten westen van Nemboektep contact maakte met de patrouille van korporaal Zwijgers. Met inlandse dragers en zijn mensen had hij zoveel mogelijk voorraden meegesjouwd als de rugzakken toelieten. Geforceerde dagmarsen, terwijl zijn mensen gewend waren om alleen voor hooguit enkele dagen in het oerwoud te verdwijnen. En dan nog het liefste met een van die grote stoere trucks. Maar in dit land moest alles te voet of per vliegtuig. Alleen maar oerwoud met smalle, voor hen nauwelijks waarneembaar, paden die de inlanders gebruikten als ze op jacht gingen. Ondanks het tropisch oerwoud hadden ze al spoedig gebrek aan water. En door het tekort aan cloortabletten konden ze het modderige water niet altijd zuiveren. Maar, en dat had hij van die mariniers geleerd, jodium om te zuiveren hielp ook. Net als dat het hielp bij de scheiterij. Lange dagmarsen en korte nachten maakten er een slopende tocht van. Misschien was dat de reden dat z'n malaria aanvallen terugkeerden en ook een stel van zijn mannen ziek waren geworden. Onder leiding van de inlandse gids had hij deze knapen en ook de dragers, meteen weer teruggestuurd naar Kokas. Berges propte zich vol met kinine en stompte door. Tot zijn verbazing maakte hij kennis met een stel mariniers die elkaar in alles steunden. Eigenlijk waren ze niet anders dan al die andere jonge mariniers die hij al had meegemaakt. Misschien wel fanatieker. Daar had een zekere sergeant Feneman, zo had hij in de rapporten gelezen, wel voor gezorgd. Zoals die eerste klas Wije, waarvan hij wist dat deze met van Dalen tegen het bevel van een jong luitenantje alle para's had afgeslacht die een bloedbad hadden aangericht. Of die kleine driftige messentrekker die ze Babyface noemden. Of die Limburger. Die hoorde je nooit en liep alleen maar zijn mouwen op te stropen. Ze hadden natuurlijk allemaal hun eigenaardigheden zoals die reusachtige Brabander die het liefst met twee rugzakken sjouwde, plus zoveel mogelijk munitie voor zijn Automatisch geweer. Mannen met een doel, de para’s pakken die zo hadden huisgehouden onder de bevolking, waar ze nu alweer zo'n tijd achteraan zaten. Het was met recht een moordende tocht. Eerst de klamme hitte in het dal waar muskieten en bloedzuigers door de modderige bodem overal aanwezig waren en zich vastzogen in je benen. De muskieten die je gezicht onder handen namen en de bloedzuigers wisten in je schoenen en broek door te dringen als ze door het modderige dal waadden. De mariniers hadden verbaasd gereageerd dat het soldaten van de landmacht waren die hen kwamen versterken. Hijzelf en vijf van zijn soldaten waren met de mariniers verder getrokken. Maar de mariniers hadden al spoedig zijn mensen geaccepteerd. Overleven in het oerwoud doe je met ze allen, hadden ze geleerd en zo gedroegen deze mariniers zich ook. Zelfs toen zijn andere mensen ziek werden door alle ontbering had hij niets hoeven vragen .Ze hadden de zieke soldaten zonder meer ondersteund. Zij, die verdomde zandhazen, waren het die hen de nodige voorraden hadden gebracht. Ook al waren ze nu alweer bijna door hun voorraden heen.

 

Berges concentreerde zich op de geleidelijk veranderende omgeving die langzaam overging in het rotsachtige terrein van de omringende bergen. Ook de afdrukken van de para's in de drassige bodem waren onduidelijker geworden en tenslotte geheel verdwenen op de harde rotsen. De vijand wist dat de mariniers hen achtervolgde en deed er alles aan om hun sporen zo goed mogelijk te verbergen. Het pad was niet meer geweest dan een vaag spoor in het dichtbegroeide terrein. De hitte in het dal had het uiterste van de patrouille gevergd die nu al weken de para's opjaagden. Het gebrek aan voedsel en het tekort aan water had de kleine eenheid ondermijnd. Niet meer dan een veldfles vol vonden ze in 'n miezerig stroompje in de modderige bodem. Bij het laatste vuurcontact met de para's, dat de mariniers hadden op de ochtend voor hij contact met hen maakte, was hun radio uitgevallen. Daarom dan ook dat ze volstrekt op zichzelf waren aangewezen, zonder kans op bevoorrading vanuit de lucht. Heel af en toe hoorden ze hoog in de lucht een Dakota die een poging deed om de patrouille in dit uitgestrekte gebied te lokaliseren. Maar de mariniers wilden geen vuurpijl afschieten bij de gedachten dat de achtervolging vergeefs was. Met een dwaze jachtkoorts joegen de mariniers achter hun vijanden aan. De doden in Nemboektep waren ze niet vergeten. Enkele van hun eigen mensen waren ook flink aan de dunne omdat ze aan alles gebrek hadden. Maar een stom fanatisme dreef ze voorwaarts. Het was ook de enige mogelijkheid om weer op hun eigen basis terug te keren. Gewoon doorstompen.

 

Sergeant Berges haastte zich naar voren toen de patrouille in dekking ging en ving nog net de laatste woorden op van de mannen aan de spits van z'n kleine eenheid.
"Ik kan geen sporen meer vinden in deze modderige ondergrond. Zelfs de struiken waaraan ik, door afgebroken takken hun spoor kan terugvinden, ontbreken hier," hoorde Berges, Wije tegen de korporaal zeggen. "Het kan bijna niet anders dan dat ze de bergen zijn ingetrokken."
"Wat is het mannen? Lopen we even vast?" Sergeant Berges was een gemoedelijke kerel. Groot en verschrikkelijk mager. Ondanks zijn ervaring liet hij het graag aan zijn mensen over wanneer deze initiatief toonden, al liet hij duidelijk merken dat de verantwoordelijkheid helemaal bij hem lag. De sergeant keek Wije aan en reageerde grijnzend toen hij de marinier naar zijn grote gok zag kijken. "Ja marinier, dat verbaast je hé. Deze ouwe sergeant draagt ten allen tijdje zijn pukkel mee."
De marinier moest ook lachen en zei rustig. "Wel aan de verkeerde kant, sergeant. Wij dragen onze barang altijd van achteren." Meteen werd de marinier weer serieus. "Geen sporen meer sergeant." Wije bukte zich over de kaart die Berges uitspreidde. Toen zag hij het kleine dorp en met zijn vinger op het nietige stipje zei hij. "Bakku, nooit van gehoord. Het is vrijwel zeker dat ze daar in de tuinen zitten."
De sergeant bestudeerde de omgeving en keek toen weer naar de kaart. "Wel, als daar een dorp is lijkt het me sterk dat ze het gebergte zijn ingetrokken. Vooral omdat jullie me vertelden dat ze met gewonden lopen te sjouwen. Vind je zelf ook niet? Ik weet dat jullie nu al weken achter die gasten aanzitten. Dus mag ik wel verwachten dat jullie aardig op de hoogte zijn van de wijze waarop die para's werken."

 

De korporaal haalde enkele luchtfoto's uit zijn kaartentas en vergeleek deze met de kaart. "Hier hebben we meer aan dan de kaart die niet overal nauwkeurig is en witte plekken heeft. Er is nog nooit eerder een patrouille van ons in dit gebied geweest." Hij keek de sergeant aan en gaf toen pas antwoord op zijn vraag. "Twee dagen voor dat wij contact met je maakten hadden we nog vuurcontact met de vijand. We wisten daarbij twee para's te doden die we provisorisch begraven hebben. Die gasten konden het gevecht afbreken maar moesten wel een groot deel van hun voorraad achterlaten." Opnieuw keek Zwijgers op de kaart. "Wije heeft gelijk. Dit is het enige dorp in de buurt. En het kan heel goed zijn dat ze voor korte tijd de bergen zijn ingetrokken om hun sporen uit te wissen. Als ze ergens zitten, dan is het daar." De korporaal gaf de foto's aan de sergeant. "Hier is duidelijker te zien dat de tuinen hoger liggen dan de kampong." Hij wachtte even en wees de kali aan die door het gebied stroomde. "De rivier stort zich uit de bergen omlaag en stroomt door de tuinen. Daarna een kleinere waterval en stroomt hij naar het dorp. Vaak is het andersom en ligt het dorp hoger dan de tuinen." De korporaal pakte zijn shag en draaide op zijn gemak een zware. Toen riep hij naar de rest van de patrouille. "Oké mannen, tien minuten om een strooitje te roken."
Terwijl ze de zware rugzakken van hun schouders lieten zakken kwamen overal de pakjes, zware van de weduwe, tevoorschijn en de mannen maakten het zich gemakkelijk om van de korte pauze te genieten. Het was hun eerste rust die dag. Bij het beginnende ochtendlicht waren ze vertrokken om in een genadeloos tempo de achtervolging voort te zetten. De laatste nachten hadden ze niet meer rust gehad dan noodzakelijk was, uitgestrekt op hun regenzeiltjes op de drassige grond. Een klein vuurtje om rijst te koken dat ze in enkele sokken met zich meedroegen. Ook het weinige aan blikken met groente droegen ze in hun rugzak. De voorraden die ze op de para's hadden buitgemaakt waren dan ook een welkome aanvulling geweest op hun karige rantsoenen.
"Sorry sergeant, ik moest even voor de jongens zorgen."
"Het zit wel goed Zwijgers." De sergeant gaf de foto's terug aan zijn korporaal. "Je hebt gelijk Zwijgers. In de tuinen kunnen ze hun voorraden aanvullen. Die para's zullen aan alles gebrek hebben. Daar vinden ze bananen en klapperbomen."

 

De kleine kampong lag als een langgerekt lint op een smal plateau ingeklemd tussen twee ruige berghellingen en veel meer dan een smal pad was er op de foto's niet te vinden. Waarschijnlijk was het niet meer dan een platgetreden strookje grond door de bewoners gebruikt voor een sporadisch bezoek aan verre familie en op de foto’s niet terug te vinden was.
"Wat waren je laatste indrukken?" De sergeant keek Wije aan en gaf zelf al antwoord op de vraag. "Ik ga ervan uit dat die knapen met hetzelfde soort kaarten werken." De magere sergeant grijnsde. "Het zou me zelfs niet verbazen als ze beter materiaal hebben." Berges keek weer naar de luchtfoto's. "Als die gasten bij de tijd zijn zitten ze nu in de tuinen om zich vol te vreten."
Wije knikte zijn hoofd. "U hebt ongetwijfeld gelijk. Ze proberen ons op een dwaalspoor te brengen. Als ze daar in de tuinen zitten, wat eigenlijk wel zeker is, zullen ze een hinderlaag leggen langs het pad. Ze zijn niet echt het gebergte in." De marinier keek naar de kaart en besefte het gevaar dat ze liepen in het dicht begroeide terrein. "Ik mag geen aanwijzing missen, anders lopen we recht in hun geweervuur. "

 

"Dan kunnen we beter door de bergen trekken en van achteren naderen. Dat is iets wat ze absoluut niet zullen verwachten."
Opnieuw keek Zwijgers naar de luchtfoto's. "Het is een verdomd zwaar traject en enkele jongens zijn er slecht aan toe. Misschien is het simpeler door het dal te trekken."
"Wat denk je marinier? Is het te doen? Bovenlangs?" Opnieuw keek de sergeant Wije aan.
"Het kost ons een volle dag, maar dat verwachten ze vast niet. Ze verwachten ons door het dal en daar zullen ze een hinderlaag leggen." Hij grijnsde. "Alleen mafkezen en mariniers trekken door die hel." Wije pauzeerde even voor hij eraan toevoegde. "En natuurlijk een of andere leiperik die zo nodig bij de commando's wilde."
"Goed gezegd klote Tor," gaf Berges toe en sloeg de marinier stevig op z'n schouder. "Oké, dat worden de bergen. Bovenlangs dan."
"Enkele knapen zijn er behoorlijk slecht aan toe..." begon de korporaal .
"Misschien kunnen we ze beter op de hoogte brengen van onze bedoelingen. De jongens zijn erop gebrand die gasten te pakken, maar zullen niet begrijpen waarom we door het Fak-fak trekken."
Berges leek even te aarzelen en keek naar de mannen die in een halve kring om hem heen lagen en afwachtend aankeken. Hij knikte met z'n grote kop. "Niet meer dan billijk. Oké mannen, ik zal proberen het kort te houden." De sergeant grijnsde breeduit, beseffend dat de knapen ervan overtuigd moesten zijn dat de zware tocht een kans van slagen had. "Dat is trouwens voor mij niet zo moeilijk, aangezien ik niet zo'n ouwehoer ben."
De mannen lachten en iemand zei. "Daar zegt u een waar woord sergeant. We hebben u nog niet echt veel horen lullen."
"Zo is het maar net marinier. Ouwe hoeren leven kort." Hij pakte de baal shag van een van de jongens. "Maar even serieus. We zitten die gasten op de hielen al zijn ze al menig maal tussen jullie vingers door geglipt." Rustig blies hij een flinke rookwolk door zijn grote gok. "Het is duidelijk dat we volkomen op ons zelf zijn aangewezen. Onze eenheid is dusdanig klein dat ieder van jullie weet wat er gaande is. We zitten zonder radio contact en bovendien verdomme jullie het zelf ook om onze positie aan die Peloppers te verraden." Berges pauzeerde even en keek naar het kleine groepje waarbij het hem duidelijk was dat de mannen erop af wilden.
"Zoals ik al zei, moeten we het alleen opknappen. Van onze groep zijn er vijf slecht aan toe. De enige mogelijkheid om op de basis terug te keren is dus doorstompen." De sergeant schudde goedkeurend zijn grote kop. "Maar ik heb gemerkt dat jullie zoiets wel aankunnen. We gaan er gewoon op af. Maar het is te link om die gasten door het dal te naderen. Eigenlijk, militair gezien, zouden we hier een afsluitings groep moeten leggen. Maar die hebben we niet. Dus jongens, stompen wordt het. Het kost ons een volle dag maar morgenvroeg pakken we die gasten. De Peloppers zitten bijna zeker in de bevolkingstuinen die op een plateau liggen. Het Fak-fak ligt cirkelvormig om het dal en dus om het dorp. Ze verwachten ons ongetwijfeld door het dal en zullen dus vluchten, als ze dat al doen, door het gebergte." Opnieuw pauzeerde Berges even, voor hij zei. "Jongens, het wordt afzien, maar we redden het wel." Daarna keek hij Zwijgers aan en grijnsde breeduit. "Dus korporaal. Je hebt me gehoord. Voorwaarts."
"Oké mannen!" riep de korporaal. "Omhangen en volgen!"
Na het dal waar de klamme hitte de stinkende uniformen aan hun lichamen deed plakken waren ze opnieuw de bergen ingetrokken. De natte broeken hadden hun liezen stukgescheurd en de vele bloedzuigers die zich in hun benen hadden vastzogen veroorzaakten heel wat gevloekt. De enige mogelijkheid om die krengen weg te krijgen was, met een mes langs hun benen te schrapen of een brandende peuk bij hun kop te houden. Dan krulden de klerelijers hun volgezogen lijf, trokken hun kop weg en dan met een mes snel langs hun been om te voorkomen dat de kop erin achter bleef.
En nu die alles verterende hitte van het Fak-fak gebergte waar de zon honderdvoudig weerkaatst leek te worden door de hoog oprijzende toppen. Stug hun ene been voor het andere plaatsend klommen de mannen omhoog, blij met de droogte van de laatste dagen. In periodes van regen bestond het gebergte uit rooie modder onder een tapijt van lage begroeiing. Zoals overal in de tropen lag de boomgrens op grote hoogte, maar de patrouille had deze allang achter zich gelaten. Een rood groene massa van hoge bergen met scherpe grijze punten waarop ze hun schoenen stukliepen en uniformen open haalden.

 

Wije probeerde in een nutteloos gebaar het zweet van zijn hoofd weg te vegen. Ze trokken nu al uren door het ongenaakbare gebergte met als enig uitzicht een volgende top die ze moesten beklimmen. De hitte van de koperen ploert, die aan een staalblauwe hemel stond, werd vastgehouden door de hen omringende bergen. De marinier keek achterom naar hun uiteenvallende groep die in een afgestompt fanatisme omhoog klom. De grote Brabander liep vlak achter hem met een extra rugzak voor zijn borst en het zware wapen achteloos over z'n schouder. De kerel straalde zo'n kracht uit waardoor het leek alsof hij moeite had z'n ritme aan te passen aan het trage tempo van de uiteenvallende geweergroep. Ondanks de martelende tocht moest Wije grijnzen om de grote betonvlechter. "Nog even die gozer begint te zingen," dacht hij. Opnieuw probeerde Wije het zweet weg te vegen en met een beweging van zijn schouders trok hij de arm van de man die hij meesjouwde tegen z'n nek aan. Enkele mannen waren er zo slecht aan toe dat ze ondersteund werden door hun kameraden. Eigenlijk had Berges de mannen in het dal willen achterlaten in de hoop dat deze later door een andere groep opgehaald konden worden. Maar het risico van een gewapend treffen met de para's was te groot geweest om de zieken hulpeloos achter te laten. Met een gevoel van verbondenheid hadden de sterkste knapen hun maten ondersteund en waren zwijgend aan de klim naar boven begonnen .
Sijne schudde z'n grote kop en met enkele grote stappen kwam hij naast Wije lopen. "Gaat het een beetje, chef?"
"Rotop Sijne. Ik schop je voor je ballen."
"Eerste klassers zijn ook niet meer wat ze vroeger waren."
"Dat was zeker in jouw tijd?"
De Brabander haalde smalend z'n schouders op terwijl hij de extra rugzak van zijn schouders liet glijden en zijn zware wapen aan Rijke gaf. "Geef mij die knaap maar. Jij loopt er ook alweer en tijdje mee te sjouwen." Sijne kon niet nalaten Wije een flinke ram op z'n schouder te geven.
"Tenzij je me inderdaad voor m'n ballen wil schoppen."
"Dat houdt je nog van me tegoed knaap," zei Wije terwijl hij de zieke aan Sijne overgaf. Terwijl Wije de extra rugzak voor zijn borst hing liep hij meteen door naar voren waar de korporaal op de kop van de patrouille naar boven stompte.
Zwijgers vloekte stevig toen hij z'n broek open haalde aan een scherpe rotspunt. "Verdomme Wije. Had je geen andere route kunnen uitzetten?"
"Nog even korp. Dan zijn we op het hoogste punt. Als het goed is hebben we dan een prima uitzicht op het dal." Wije haalde de stafkaart uit z'n broekzak, vergeleek deze met de omgeving en vloekte nijdig. "Gewoon rotzooi. Die kaarten kloppen voor geen sodemieter."
Berges schudde zijn hoofd om een nieuwe malaria aanval te verdrijven, keek even of niemand het zag en propte zijn mond vol met kinine. Quasi onvermoeid rechtte hij zijn rug en liep langs de patrouille naar voren. "Wat is het mannen? Eventjes een inzinking?" Sergeant Berges gaf Wije joviaal een klap op z'n schouder. "Ik dacht dat jij als bergsporter zulke kaarten niet nodig had. Je werkt toch op je instinct?" Hij kon niet nalaten om ondanks de moordende tocht opgewekt te doen. "Laten we effe kijken, jochie. Tot nu toe heb je ons aardig naar boven gebracht." Berges haalde de luchtfoto's uit zijn kaartentas en legde deze naast de kaart die zelfs van het gebergte veel witte plekken vertoonde. "Mm, het lijkt er inderdaad op dat die mappenmakers hier zelden een rondje vliegen." Hij keek Wije aan en gaf hem de foto's. "Wat denk je er zelf van?"

 

"Volgens mij moeten we straks het hoogste punt bereikt hebben en kunnen we alleen nog maar omlaag waarna we op dezelfde hoogte als die rotskam achter het dorp zitten."
"Prima," reageerde Berges nuchter. "Dat is voor mij voldoende. Als het dus goed is wordt dit de laatste klim." Hij draaide zich om naar de mariniers die snel van de gelegenheid gebruikt maakten om de extra rugzakken of wapens met hun maten te ruilen om op hun beurt de zieken te ondersteunen. Sergeant Berges had al die tijd achter in de patrouille gelopen om eventuele achterblijvers vooruit te helpen. Zoals steeds verbaasde hem het hardnekkige fanatisme dat deze jonge knapen voort dreef. Hij wist een grijns op z'n gezicht te krijgen en keek naar de steile berg voor hen. Ruim tweehonderd meter omhoog. "Dat doen we toch even, stelletje luilebollen!" brulde hij overdreven hard. Meteen wist Berges er weer een stevige pas in te zetten. "Zwijgers, jij naar achteren om de uitvallers op te vangen. Wije, stom figuur, jij bent niet voor niets onze spoorzoeker." Hij moest ondanks de uitputtingsslag inwendig grijnzen toen hij de marinier eerste klas met gespeeld gemak naar voren zag lopen. Zelfs met zijn uitpuilende rugzak liep Wije opzettelijk veerkrachtig, maar de sergeant had genoeg ervaring om de verschijnselen van vermoeidheid te herkennen.
Berges keek de marinier verder niet meer aan en met z'n blik op oneindig stompte hij, als tweede man, achter de marinier naar boven. In een hardnekkig fanatisme aan de kop van de patrouille wist de sergeant dicht bij Wije te blijven. Maar de sergeant kon het niet opbrengen voor of achteruit te kijken en liep dan ook tegen de marinier op toen deze stil bleef staan en omlaag wees.
"Het dal sergeant. We hebben het weer geflikt." Meteen greep Wije de sergeant toen hij deze zag wankelen .
"Rotop marinier, deze ouwe kerel heeft geen hulp nodig van de een of andere Tor." Ondanks zijn nijdige opmerking wist Berges toch een grijns op zijn magere kop te krijgen om zijn woorden enigszins te verzachten.
De beide mannen lieten zich aan de rand van het plateau zakken en keken naar de rest van de eenheid die moeizaam de laatste stijgende meters omhoog klommen. Toen pas zag Berges dat de marinier ziekenpaai vlak achter hem had gelopen. Deze had allang in de gaten gehad dat de sergeant er slecht aan toe was en had hem de hele tocht naar boven ongemerkt in de gaten gehouden. Snel gaf hij, voor de anderen boven waren, een buisje kinine aan de sergeant.
"Nog zo'n rottige Tor," mopperde deze quasi nijdig. "Als jullie je kop maar houden tegen de anderen."
Maar de beide mariniers grijnsden naar elkaar en zachtjes zei Wije. "Je bent een stomme zandhaas sergeant. Als je wil dat we onze bek houwen kost je dat een kratje bier als we terug zijn."
"Die draag ik in mijn pukkel, dat weet je toch stomme marinier." De sergeant zei verder niets meer en keek naar het dal dat zich onder hen uitstrekte. Aan de rechter zijde van het dal konden ze de rivier zien die zich van de bergen stortte en naar de bevolkingstuin verdween. Berges pakte zijn veldkijker en vloekte hartgrondig. "Shit, ik kan die gasten zelfs zien lopen. Bijna allemaal in hun blote kont. Zeker als vermomming tegen waarneming vanuit de lucht."
Op dat moment liet korporaal Zwijgers zich naast de mannen op de grond zakken. "Het kan zijn dat ze de bevolking in gijzeling houden. Voor onze piloten is het verschil toch nauwelijks te zien."
Berges bestudeerde nog steeds het dorp dat op een plateau tussen twee bergen was gebouwd. De bevolkingstuin, waar de inlanders hun gewassen verbouwden en hun fruitbomen hadden, zoals bananen en kokosnoten, lag hoger dan het dorp en duidelijk zichtbaar. Maar van het dorp zelf konden de mannen nog net de daken zien die boven de boomtoppen uitstaken. Een langgerekt lint van hutten die gebouwd waren op een uitgestrekt plateau van een ruime honderd meter. Achter het dorp, bijna honderd meter steil omhoog, rees een ongenaakbare rots op. Daar op de loodrechte wand ontbrak iedere vorm van vegetatie, heel anders dan in het gebergte om hen heen. Zelfs op de ruige hellingen van het Fak-fak gebergte was het oerwoud volop aanwezig. Wel minder dicht dan in het dal, meer lage begroeiing met verdord gras.

 

Wat denk je ervan Wije...?" begon de sergeant en keek opzij waar hij de marinier verwachtte. Maar Berges zag Wije weglopen naar zijn mensen terwijl hij zijn rugzak van z'n schouders liet glijden. De sergeant grijnsde toen hij de marinier quasi provocerend tegen z'n maten hoorde zeggen. "Zo, nu eerst mijn jongens vertroetelen, dan zijn straks die stomme zandhazen aan de beurt."
" Kop houwe mariniertje," fluisterde, maar wel verstaanbaar, de commando. Maar zijn woorden hadden effect. Op sommige bleke smoelen kwam een grijns tevoorschijn en het commentaar op zijn opmerking getuigde van de gemoedelijke rivaliteit die tussen de mannen heerste .
De eerste klas ging bij zijn mannen zitten die met grimmige trekken op hun jonge gezichten hun knellende schoenen hadden uitgetrokken en pijnlijke voeten masseerden. "Jullie kunnen je kistjes beter aanhouden. Straks krijgen jullie die koelere dingen niet meer aan jullie platvoeten."
"Mijn poten zijn helemaal kapot." Sijne liet zich achterover zakken en met zijn grote klauwen pakte hij z'n bloederige voeten.

 

"Niet zeiken, stomme Brabander. We hebben allemaal onze problemen." Wije lachte en legde een hand op z'n ballen. "Ik heb zelf ook schrale kloten. Maar mij hoor je toch ook niet."
De grote kerel kon weer lachen terwijl hij voorzichtig probeerde zijn stukgelopen schoenen weer aan te krijgen. "Dat maakt bij jou toch niets meer uit. Je gebruikt dat aanhangsel voorlopig toch niet meer." Hij draaide zich naar opzij waar de jonge Rijke met een pijnlijk gezicht in z'n kruis zag te wrijven. "Wat jij Pietje?"
De jonge marinier keek met afschuw naar zijn eigen voeten en mompelde.
"Wat interesseren mij die ballen van jullie. We zijn allemaal grote klootzakken." Moeizaam kwam hij overeind, ging op zijn knieën zitten en schoof voorzichtig z'n broek omlaag. "Jezus nog aan toe. Ik heb bijna geen ballen meer. Dat rottige Korps ook. Zelfs mijn ballast willen ze hebben."
Met grote ogen keek hij naar zijn rouwgeschuurde liezen en z'n ballen die ineen geschrompeld waren tot knikkertjes.
Wije keek nog even naar Meurs die bij een van de zieken zat en probeerde de man iets te laten eten. Hij schudde zijn hoofd en lachte opzettelijk spottend. "Wel dames, zo te horen redden jullie het wel. Maar als ik jullie was zou ik proberen om eerst te eten en dan pas zorgen maken om je uiterlijk. Maar geen vuur en weg blijven bij de richel. Zoek dekking achter dat grote rotsblok. We kunnen die gasten in het dal zien lopen. Dus andersom zal het ook zo zijn als ze met hun veldkijker de omgeving bespieden." Wije sleepte zijn rugzak met zich mee toen hij naar Meurs kroop die met enkele andere mannen van de patrouille bij de zieken bezig waren. Hij kwam van z'n hurken zakkenomhoog en maakte de rugzak open. "Hoe gaat het hier?"
De Limburger keek hem aan en pakte de repen, door het vochtige klimaat, wit uitgeslagen chocolade die Wije hem aanreikte.
"Veel is het niet. Maar het zal hem goed doen." Wije wees op de uitgeputte soldaat en keek toen de Limburger weer aan. "Heb je zelf nog iets te vreten bij je?"
"Ik heb vanochtend extra rijst gekookt met enkele lomboks er doorheen. "
De brede Limburger grijnsde even. "Hoever zijn we? Heb je die kampong al in zicht?" Hij draaide zich weer om naar de uitgeputte man en bracht zijn veldfles aan de uitgedroogde lippen van de zieke.
"Wel, Berges en Zwijgers liggen bij de richel. Vanaf deze hoogte hebben we prima zicht op het dal en de kampong. Ik denk dat we nog hooguit twee uur moeten doorstompen om boven die gasten te zitten. We moeten straks alleen nog maar omlaag tot we dat plateau hebben bereikt dat zich achter de kampong bevindt. Redden jullie dat?" Wije keek ook de anderen mariniers aan, maar zijn vraag was vooral bestemd voor eerste klas van Dalen die met zijn ploeg zorg droeg voor de zieke soldaten. De jongens van de landmacht waren er het slechts aan toe en Wije had respect voor die knapen. Zonder echte tropen ervaring hadden deze een geweldige prestatie geleverd. Normaal kwamen deze mannen niet veel verder dan enkele patrouilletochten in de omgeving van hun kazerne. En nu? Ze hadden niet alleen de zware tocht naar het binnenland gemaakt om de mariniers van nieuwe voorraden te voorzien. Maar daarna hadden ze verder moeten stompen als versterking van hun te kleine eenheid. Alles hadden ze mee moeten sjouwen en het was niet verwonderlijk dat ze al spoedig opnieuw overal gebrek aan hadden. Maar het ergste was het gemis aan goed drinkwater of de mogelijkheden om het beetje water dat ze in het dal hadden gevonden te zuiveren. En zwaar was het zeker. Ook de mariniers die alweer zo lang in het land zaten hadden het niet gemakkelijk. Twee van hen waren er bijna net zo erg aan toe als de zandhazen. Vooral de schijterij was nog het ergste. Gelukkig hadden ze wel voldoende jodium waarmee de schijterij nog iets werd terug gedrongen. Maar toch verzwakte de dunne nog de sterkste mannen.
"Wel," reageerde van Dalen. "Als jij zegt dat we nog kort te gaan hebben dan houden we je daar ook aan. De jongens redden het wel. We nemen ze gewoon weer op ons nek."
Wije zei niets meer, kroop terug naar de sergeant en korporaal die nog steeds de omgeving door hun kijkers bestudeerde en liet zich naast hen op de grond zakken. "De jongens redden het wel," zei hij meer tegen zichzelf dan tegen de beide mannen.
Berges reageerde hier niet op en mompelde. "Prachtig, die langgerekte bergkam waarop het dorp is gebouwd. Een kleine honderd meter lang. Genoeg om een heli te laten komen."
Korporaal keek over Berges schouder naar Wije, die verbaasd zijn hoofd schudde de sergeant aankeek. "Hoe bedoel je sergeant? Een heli? En hoe wil je die bestellen, zonder contact ?”
"Niet zo haastig stomme Tor. Dat zien jullie morgen wel. Maar volgens mij heb ik een goed plan om de zieken weg te laten halen." Toen pas draaide de sergeant zich naar Wije toe. "De jongens houden je eraan dat ze nog maar twee uur moeten stompen. En als er dan geen pad omlaag loopt? Wat wil je dan gaan doen?"
Wije sloeg op z'n grote rugzak.” Ik heb nog iets aan voedsel achter gehouden, voor als het echt nodig is. Voor de meest zwakke sobats.” rondloopt
Berges fronste zijn wenkbrauwen en keek de marinier geïnteresseerd aan. Dus toch, noodransoenen!”
Zonder nog iets te zeggen pakte Wije de veldkijker uit Berges handen en bestudeerde de rotswand die steil achter de kampong en de bevolkingstuin oprees.
De korporaal schudde zijn hoofd weer. Wije kwam naast de mannen zitten, leunde languit tegen zijn rugzak en begon rustig een shaggie te draaien." De marinier pauseerde even en vervolgde, “Het lijkt me sterk dat er niet een of andere Papoea daar rondzwerft.”
Berges die tijdens het korte gesprek Wije had aangekeken liet zijn ogen afdwalen naar de ongenaakbare wand en dacht aan zijn ervaring op de klimtoren in Roosendaal en de rotsen in de Ardennen. Maar hier, zonder klimtouwen? Als er een pad loopt moet het wel erg steil omlaag gaan.”Het bleef even stil tussen de drie mannen die elk met hun gedachten bij de komende actie zaten. Sergeant Berges keek de marinier weer aan. Berges ging voorzichtig rechtop zitten en sloot even zijn ogen om de vermoeidheid te verdrijven. Daardoor miste hij de blik van verstandhouding tussen de korporaal en Wije. De beide mariniers waren vastbesloten om de man, die nu hun sergeant was, er doorheen te slepen. Net zoals ze de anderen er doorheen sleepten op deze martelende tocht door het ruige gebergte waarbij aan alles gebrek was.
De commando zuchtte diep. "Luister marinier. De verantwoording ligt bij mij, maar als jij zegt dat de jongens het kunnen, vertrouw ik daarop."
Berges keek naar de rest van de patrouille die gebruik maakte van de ingelaste rustperiode. De mariniers hadden het beetje voedsel dat er nog was gedeeld met de zwakste maten, waartoe vooral zijn eigen mensen behoorden. Zijn zandhazen, zoals de mariniers zijn mannen spottend noemden, waren er het slechts aan toe maar ze waren als eerste geholpen. Daarna dachten de mariniers pas aan zichzelf en Berges zag het grote optimisme van de knapen, die uiterlijk onverschillig zaten te kletsen alsof ze een dagje uit waren of hun uitrusting nakeken. De schildwachten beveiligden de omgeving en rookten stiekem een sigaretje in de wetenschap dat de vijand hen hier toch niet kon verrassen. Iets dat onder andere omstandigheden bij de mariniers absoluut niet getolereerd werd, roken op post. Zijn blik kruiste zich met een van de mariniers die naast een grote rots de omgeving nauwlettend in de gaten hield. Quasi dreigend stak Berges een vinger op. De knaap deed alsof hij schrok, drukte zijn toch al opgerookte peuk uit en knipoogde grijnzend naar hem. Berges schudde zijn hoofd, draaide zich weer om en kroop voorzichtig terug naar de rand om uit het zicht van de vijand te blijven.
"Verdomme," hoorde hij Wije vloeken. "Het is dat die gasten daar misschien gijzelaars hebben, anders konden we ze van hier onder vuur nemen. Onze Bags halen het wel."
"Niet zeiken jij," reageerde Berges kortaf. "Vertel liever je plan." Meteen hield de sergeant z'n mond en de mannen hoorden het geronk van de Dakota die in grote cirkels over het lager gelegen dal vloog. "Nee hé. Nu niet verdomme," vloekte Berges. "Ze verraden onze posities."
De mannen rolden op hun rug en keken zoekend in het rond of ze ergens dekking tegen luchtwaarneming konden vinden. Maar op de kale rotsen viel niets te vinden dat bescherming bood wanneer het toestel zou overvliegen.
"Dan moet het maar gebeuren," wilde Berges zeggen. "Alles voor niets."
Wat niemand had verwacht gebeurde op dat moment. De hijgende stem klonk duidelijk triomfantelijk. "Sergeant! Sergeant Berges, hij doet het weer!" Marinier Sons kwam hijgend aanrennen met zijn zware radio slingerend over een schouder hangend. "Ik heb Kokas aan de lijn! We hebben verbinding!"
"Grandioos marinier!" riep de sergeant. "Maar nu plat jij. Je verraadt straks onze stelling. Die Peloppers hebben ook verrekijkers." Berges trok de hoorn uit de hand van de verbindelaar en snauwde kortaf. "Majoor Daal? Berges hier... Het is klote majoor .. Nee, niet mijn poten. Ja, die ook, maar het is slecht hier... Luister majoor. .. Roep dat toestel terug. We liggen in het zicht van die gasten... Pal boven ze majoor. Hooguit een paar honderd meter." Berges luisterde even zwijgend en herhaalde toen weer. "Niets bommen majoor. Ze hebben waarschijnlijk gijzelaars." Nijdig schudde de sergeant zijn hoofd. "Die Peloppers houden misschien inlanders vast... We gaan vannacht afdalen... Luister majoor... Ik heb een plan... Morgen heb ik echt een heli nodig...., Jawel majoor begrepen, ik roep u morgen weer op..." Nog even grijnsde Berges, waarna hij de hoorn teruggaf aan de marinier verbindingsdienst. Daarna gaf hij Wije een klap op z'n schouder. "Oké marinier, nu ben jij weer aan de beurt. Breng ons veilig naar beneden."
De mannen bleven nog even liggen en keken naar de Dakota die nog eenmaal een rondje boven het gebergte maakte en daarna wegvloog.
Zwijgers keek opnieuw door de kijker naar het dorp en de omgeving. Plotseling stopte hij in zijn beweging. Gaf de kijker aan Bergers. “Verrekt. Kijk eens naar de bosrand boven het dorp.”
Bergers hield zijn adem in. “Dus toch,” mompelde hij.
Wije rukte de kijker uit de handen van de commando, waarbij hij deze bijna smoorde omdat de riem nog om Bergers nek zat en deze daarbij naar zich toetrok.
“Nou wordt je toch wel erg intiem, Wije,” zei hij. “ Ik dacht al dat je van de tai was.”
Wije veegde de prikkelende transpiratie uit zijn ogen en reageerde allen maar met: “Die moet ik hebben,” terwijl hij de kleine figuurtjes gadesloeg die zich boven het dorp ophielden. “Nemen jullie het maar over om de jongens veilig verder te brengen. Ik ga pleitte.”
Bergers en Zwijgers keken hem even verbaasd aan voor het tot hun doordrong.
De sergeant reageerde als eerste. “Je gaat contact zoeken met die mensen? “
“Ik wel,”reageerde Wije. Kroop naar achter en wurmde zijn rugzak op zijn schouders.
“Zeker weten?” Wilde Berbers nog vragen.
Maar de marinier hoorde het al niet meer.
“Oké Zwijgers, dan gaan we ook maar. Zonder Wije, die eigenwijze kerel.”
Een brede grijns trok over het gezicht van de commando. “ Geen wonder dat ie steeds in de problemen komt. Vraagt geen toestemming. Meld zich niet model af. Wordt tijd voor de krijgsraad.”
Zwijger gaf de sergeant een hand om hem overeind te trekken. “Zo is het maar net, lange. Eigenwijze kerels zat in ons Korps.”
Daarna klonk opnieuw het commando. "Oké mannen, omhangen en volgen!"

Commentaren: 0