PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 6

MARINIERS MOORDEN NIET ZIJ DODEN

DE EENZAME PATROUILLE

Veel te laat die ochtend was het toestel opgestegen om te proberen
contact te maken met de patrouille waarvan luitenant Will Baans wist dat deze zich in het gebied van Nemboektep bevond. Op het hoofdkwartier hadden ze hem verteld dat elk contact verloren was maar dat de mariniers daar in de omgeving moesten zijn. 's Morgens om negen uur was Baans op het vliegveld om zelf bij het laden aanwezig te zijn. Hij had al zoveel vluchten uitgevoerd om de mariniers in de uitgestrekte jungle te bevoorraden dat hij precies wist wat er nodig was. Natuurlijk was de officier, die de bevoorrading moest regelen, 'n eigenwijze magazijn beheerder en wilde alleen enkele blikken met noodrantsoenen meegeven. Maar Baans wist wel beter. Er gingen door die verdomde magazijnpik al te veel uren verloren. De mariniers zaten al weken onafgebroken achter de vijand aan en hadden veel meer nodig dan blikken met krentenbrood en witte bonen. Nijdig belde Baans met majoor Daal. Het waren immers zijn jongens. "Majoor? Baans hier."
"Verdorie Baans, het is pas tien, nul nul uur jongen. Je moet een goede reden hebben om mij op m'n vrije dag te porren."
Baans grijnsde. Hij kende de majoor van de mariniers persoonlijk. Vooral na het laatste spelletje poker waarbij hij hem letterlijk had uitgekleed. Tenminste, hij had het wel netjes willen houden, alleen zijn overhemd met het mouwembleem. Dat was een waardevol souvenir en moeilijk te krijgen omdat die verdomde mariniers trots waren om hun uniform. En Baans was dol op souvenirs. Dat was het enige dat hij aan deze verdomde oorlog kon overhouden. Nou ja, misschien ook nog wel een druiper. Daal had hem pas nog met een smerige grijns aan een vrouwtje voorgesteld. En Baans wist dan hoe laat het was. Die verdomde marinier bezorgde hem geen vrouwtje als hij er zelf mee kon wippen. Dus zat er een geintje achter. Maar ja, ze waren maatjes geworden. Hij mocht die verdomde buchtrappers wel. "Luister majoor. Ik ben op het vliegveld. Ik ga proberen je mannen te vinden. Maar dan..." Meer hoefde hij al niet te zeggen.
"Geef me vijftien minuten, navyboy."
Baans hoorde op de achtergrond gestommel, daarna zei Daal. "Dat kost je een rondje poker maat. Ik moest een wijfie wegsturen. Irene, je kent haar wel."
Opnieuw moest Baans grijnzen. Als Daal met Irene scharrelde dan zat het wel goed. Dus toch geen druiper. Alhoewel je het nooit wist met die mariniers. Volgens hen hoorde een druiper bij hun plunjezak.
- - 0 - -
De zon stond al op zijn hoogste punt toen het toestel eindelijk snelheid kon maken en zich verhief in de staalblauwe hemel. Majoor Daal maakte het zich gemakkelijk op de stoel van de copiloot en spreidde de kaart van het ondoordringbare gebied uit. Het toestel zette meteen koers naar de kampong Nemboektep. Laag vlogen ze tussen de bergkammen door.
"Verdorie Will. Nog even en ik kan beter gaan lopen," foeterde de majoor terwijl hij probeerde koffie in te schenken uit de thermoskan.
"Ga maar vast naar het laadruim, majoor. Dan zal ik je zo lossen."
Opnieuw maakte het toestel een scherpe bocht om een van de gevaarlijke toppen van het Fak-fak gebergte te ontwijken. Bergen die het gebied bijna ontoegankelijk maakte. Dat was het gebied waar de patrouille moest opereren. Beide mannen in de nauwe cockpit beseften verdomd goed dat de kans om contact te maken erg klein was. Eerst hadden ze vanaf het vliegveld langs de kust gevlogen in de hoop om op de Bombarie vlakte een spoor te vinden van de mariniers. Daarna werd het gebied steeds ruiger en boven Nemboektep hadden ze enkele rondjes gevlogen. Nog steeds geen enkel spoor dat op de aanwezigheid van de patrouille duidde. Het was een bijna onmogelijke taak die Will Baans zichzelf had opgelegd, maar hij besefte dat de mariniers door hun voorraden moesten zijn.
"Vergeet het maar Baans. We moeten het Fak-fak doorzoeken. Sergeant Berges en korporaal Zwijgers zijn achter die para's aangegaan."
Baans knikte alleen maar en cirkelde laag tussen de toppen van het gebergte door. Het oerwoud onder hen was te dicht om zelfs maar de grond te kunnen zien. Een groene massa van aaneen geregen boomtoppen in een veelvoud aan kleuren. "Wat doen we? Droppen?" Baans keek de majoor aan.
Maar deze schudde zijn hoofd. "Te riskant Will. De vijand kan de voorraden in handen krijgen. Daar doen we de jongens geen goed aan. Vlieg nog maar een rondje. Dat is alles wat we kunnen doen." Daal pakte de thermoskan en probeerde de bekers te vullen met het schuimende brouwsel toen het toestel sterk overhelde. "Verdorie Baans. Houdt dat pokke ding recht." Vloekend veegde majoor Daal over de donkere vlek op zijn khakibroek en keek naar de marine officier die in z'n microfoon zat te kletsen.
Will Baans keek zelfs niet opzij, al vond hij het geweldig dat hij Daal een poets kon bakken. "Geintje majoor," brulde hij boven het lawaai van de motoren uit. "Contact met Kokas. We moeten onmiddellijk terug naar base. Ze hebben verbinding met Berges. Als we nu droppen verraden we hun positie." Opnieuw helde de Dakota sterk over en Baans gunde zich een snelle blik opzij. Majoor Daal hing met zijn neus bijna tegen het cockpitraam. "Net op tijd Will. Daar ligt de patrouille van Berges."
Even later snauwde de majoor nijdig. "Gatsamme, we kunnen zelfs geen bommen gooien. Die gasten lopen allemaal in hun blote kont, maar alle kans dat de Peloppers gijzelaars hebben."
Het toestel scheerde laag over het langgerekte dorp en de tuin die tussen twee hoge bergen lagen ingeklemd.

Luitenant Doue bracht de kijker voor zijn ogen en keek het vliegtuig na dat laag over het dorp was gevlogen. Het toestel had enkele rondjes gemaakt en was daarna weggevlogen. Hij had de laatste dagen wel vaker de Dakota zien overvliegen en steeds zonder droppingen. Hij begon het te begrijpen. De mariniers zaten zonder radiocontact. Blijkbaar wisten de piloten ook niet waar hun eenheid zich bevond. Maar hij, Doue wist dat ze hem op de hielen zaten. Twee weken geleden had zijn eenheid nog vuurcontact met de mariniers gehad en hij wist dat ze de beslissende fase van het gevecht ingingen. Hij keek naar zijn uitgeputte soldaten, die zich tegoed deden aan de vele vruchten die in de tuin groeiden. Opnieuw was hij enkele mannen kwijtgeraakt in het laatste gevecht. Hopelijk waren ze ontkomen. Het was goed fout geweest om in het laatste dorp enkele bewoners te doden omdat ze niet de informatie kregen en het voedsel, dat ze zo hard nodig hadden. Maar hij had zijn mannen niet in de hand kunnen houden na alle frustratie van de afgelopen tijd. Doue liep naar de twee mannen die in het laatste gevecht gewond waren geraakt. Ze vertraagden teveel hun terugtocht. De luitenant lachte smalend in zichzelf. Dit was geen terugtocht. Zelfs geen tactische. Het was een ordinaire vlucht. Hij knielde bij de mannen op de grond. "Hoe gaat het met jullie?" Een stomme vraag eigenlijk. Ze moesten de gewonden nu al dagen met zich meesjouwen. "Het kan zijn dat ik jullie moet achterlaten." Meer om zichzelf gerust te stellen zei de luitenant overbodig. "De mariniers zullen jullie goed behandelen."
De gewonden richtten zich voorzichtig op en probeerden te grijnzen. Het enige dat de jonge officier zag, waren de grimmige van pijn vertrokken gezichten. Zijn besluit stond vast en luitenant Doue liep langzaam terug naar de rand van de tuin waar de bevolking haar gewassen verbouwde. Zijn ogen gleden over de verlaten kampong, dertig meter lager dan de tuin waarin zijn eenheid voor korte tijd rust had kunnen vinden. De bewoners waren gevlucht. Slecht nieuws reist snel. Hun reputatie van moordenaars was hen vooraf gegaan. De luitenant had liever de bevolking in gijzeling gehouden als menselijk schild tegen de mariniers. Maar blijkbaar zagen de overvliegende piloten het verschil niet tussen zijn mensen en de eigenlijke bevolking uit deze streken. Zijn mensen die zelf ook ergens in hun eigen land uit de kampong kwamen hadden bijna hetzelfde uiterlijk. Donker met vaak kroezige haargroei. Vandaar dat de soldaten in hun blootje konden rondlopen.
Doue pakte zijn kijker weer en bespiedde de hoog oprijzende bergen die de kampong als een muur omringden. Hij had deze bergen al eerder op zijn stafkaart bekeken en wist dat het bijna onbegonnen werk was om daar in rond te trekken. Ook voor zijn uitgeputte soldaten. Ook niet voor die verdomde mariniers die hem zo hardnekkig achtervolgde. Of toch? Luitenant Doue vloekte hartgrondig en nam zijn beslissing. “Oké mannen. Als de mariniers komen, is het door het dal.”
Enkele soldaten hielpen de gewonden bij het pad te leggen met het machine geweer en een extra houder munitie. Hun laatste.
Ruim op tijd maakten ze weer contact met Wije, die met twee Papoea’s uit het duister opdook. De marinier had in een geforceerd tempo de plaats bereikt waar ze de zwarte mannen hadden waargenomen. Maar te zien waren ze niet. Wije
ging rustig zitten in de wetenschap dat hij bespied werd. Hij maakte het zich gemakkelijk tot hij in het duister enkele fluisterende figuren zag naderen met in hun hand de lange speren en bogen. Het waren enkele mannen uit het dorp beneden. Ze waren blij hem te zien en fluisterend overlegden ze. Natuurlijk waren deze inwoners bereid om hun, de orang belanda, te helpen en over het smalle pad te gidsen. Ja, er liep een smal pad naar de kampong. Erg steil, maar het was te doen. Ja, te doen voor deze natuur mensen. Maar zouden de jongens, die al zoveel gegeven hadden opnieuw deze prestage kunnen volbrengen? En nu dus maar wachten op de rest van de eenheid. Wije grinnikte in zichzelf. Eenheid, die paar man. Maar wel erg gemotiveerd.

Ook de rest van hun kleine eenheid had zich bij hem gevoegd.
Sergeant Berges probeerde zijn gedachten erbij te houden, want ze hadden nog tijd genoeg voor de afdaling gemaakt zou worden. Om drie-drie nul-nul uur precies zou Wije als eerste langs het smalle, maar erg steile pad afdalen. De magere kerel schudde nijdig zijn grote kop. De nieuwe malaria aanval was niet langer meer met kinine te onderdrukken. Zelfs niet meer met een heel buisje, terwijl hij nog zoveel te doen had.
Een uur voor het invallen van het duister, om achtien nul nul uur,
waren ze op de rotskam boven de bevolkingstuin aangekomen. Berges deed een mislukte poging om te grijnzen. Wat ploegen? Niet meer dan dertien man die de actie moesten gaan uitvoeren. Die stomme mariniers ook. Het was tegen alle regels van militaire tactiek. De aanvaller diende ten alle tijden, drie maal de verdediger te zijn. Natuurlijk, commando's opereerde ook in kleine groepjes. Alleen of met twee man. Maar dan zuiver als verkenners of bij kleine prikacties. Maar de mariniers lapten elke tactiek aan hun reet. Drieduizend mariniers, meer telde het verdomde roemrijke Korps niet, waren bereid het tegen tienduizend Peloppers op te nemen. Ze gingen ervan uit, dat elke marinier voor drie telde. Opnieuw schudde Berges zijn hoofd en keerde met zijn gedachten terug naar de komende actie. Die stomme mariniers wilden, nu actie en niet wachten op versterkingen. Al lag de verantwoording bij hem, hij ging er toch mee akkoord om deze actie uit te voeren. Ze zouden langs het pad afdalen en die rottige para's te grazen nemen. .. Berges ordende zijn gedachten. O ja. Zo was het toch, eerst Wije om het pad te verkennen. Daarna zouden er enkele anderen volgen Zwijgers, ook al zo'n stomme marinier, zou na de eerste heat van vijf man afdalen. Dan een volgende heat van vijf man en was hij Berges, een trotse commando, aan de beurt. Die Wije had met alles rekening gehouden. Voor nood de extra rantsoenen.
Alleen de zieken bleven achter. Die ziekenbroeder vond het belangrijker om hem, de sergeant in het oog te houden. Ziekenpaai, zoals de mariniers zo'n verpleger, noemden. Die rottige mariniers noemden alles anders dan hij gewend was. Niet de kazerne uit. Nee, de wal op, passagieren. Zelfs de grond waarop ze liepen, noemden ze het dek. Ze stonden met hun platvoeten op dek. De trucks die hen naar de stad brachten, noemden die imbecielen, sloep naar de wal.
Berges vloekte grondig toen hij de sterren meende te zien aan de bewolkte hemel. De enige sterren die hij zag waren alleen in z'n kop. Die verdomde klote mariniers. Wat maakte hen zo anders? Niet te begrijpen. Wekenlang in het oerwoud met een onbegrijpelijk gedreven fanatisme. Allemaal gebrand op actie. Het liefst gingen ze nu nog, onvoorbereid omlaag. En zijn eigen mensen? Amper in het oerwoud en helemaal ontredderd. Eigenlijk waren ze een blok aan het been van die verdomde mariniers. Die gasten stompten gewoon door. Het beetje vreten dat ze hadden ging eerst naar de zieken en zwakste. Zelfs het weinige water deelden ze, al wisten ze dat overleven van het water afhing. Berges lachte schamper. Gelukkig dat niemand hem zag. Hij kreeg bijna medelijden met zichzelf. Bijna gelukkig dat er ook twee mariniers uitgeteld waren. Dat was goed voor het moreel van z'n eigen jongens. En hij? Een sergeant van de commando's met malaria. Een van de weinige commando's die de landmacht in Nieuw Guinea had, ziek.
Berges schrok op toen een hand hem zachtjes wakker schudde.
"Sergeant, het is tijd." Korporaal Zwijgers stond als een grootse schaduw over hem heen gebogen. "De ziekenpaai heeft een amfetamineprik als je wilt." Meteen hield Zwijgers een veldfles onder z'n gok. "Maar dan moet je wel voldoende drinken."
Hij hoorde de korporaal grinniken.
"Speciaal voor jou bewaard, want je zult wel flink gaan zweten."
Berges wilde tegensputteren maar voelde meteen de naald in z'n been.
"Lekker speedy sergeant. Straks ga je als een vogeltje langs dat pad."
"Verdomde kerel," mompelde Berges tegen de marinier ziekenpaai.
"Hoe kom je aan die klerezooi? Je weet dat het verboden spul is." Hij voelde de weldadige warmte door zijn lange lijf gaan en met hernieuwde energie kwam Berges overeind. "Laat maar zitten, knaap, we hebben een klus te doen." De sergeant liep krachtig naar de mariniers en zonder iets te zeggen controleerde hij, volkomen overbodig, de mannen die nog boven waren.
De marinier bleef even in het duister turen, naar wat een pad moest zijn. De korporaal fluisterde alleen maar. "Tot beneden sergeant." En verdween ook in het duister.
Eindelijk was sergeant Berges aan de beurt. Nog steeds voelde hij zich behaaglijk. Hoog boven zich probeerde hij om een glimp op te vangen van de top die nog steeds in dichte nevels was gehuld. Voorzichtig ontweek hij de vele scheuren in de rotswand die extra verraderlijk waren in het bijna absolute duister. Zelfs in de diepte kon hij niets zien van de mannen die hem vooraf gegaan waren. Geen geluid drong tot hem door op zijn tocht omlaag. Ondanks de weldadige warmte van de oppeppende injectie voelde Berges af en toe de duizeligheid van een nieuwe malaria aanval. Zijn voet verdween in een gapende spleet. Nijdig probeerde hij z'n voet los te trekken, inwendig vloekend op de duisternis en probeerde zijn voet los te rukken.
De geharde commando beet zijn lippen stuk toen de vlammende pijn van het breken als een zweepslag door zijn lichaam ging. Berges bleef even stil staan en onderdrukte opnieuw met moeite de pijn toen hij probeerde op beide benen te staan. Hij had er goed de pest in tot hij van achteren een paar helpende handen voelde. De ziekenpaai had al die tijd achter hem gelopen en hield hem nu in evenwicht. Eigenlijk wilde hij de armen wegslaan, maar liet toe dat hij weer controle over zijn lichaam kreeg. Hinkend met een been daalden ze samen langzaam verder omlaag.
Korporaal Zwijgers tuurde in het donker naar de silhouetten van de bomen waar hij zijn mensen dekking had laten zoeken. De hoge klapperbomen staken vaag af tegen de grauwe hemel. Nog steeds hing de mist tussen de hoog oprijzende bergen en ze hadden nog ongeveer dertig minuten voor de zon boven het gebergte zou doorbreken. Het enige geluid dat de mariniers verwelkomde waren de nachtvogels en een zachte bries die de bladeren van de bomen bewoog. Het was te stil, vond de korporaal. Geen enkel ander geluid had de afdaling verstoord en heel langzaam begon Zwijgers er aan te twijfelen of de vijand nog wel in de tuin aanwezig was. Zijn enige gezelschap op dat moment was een jonge marinier die als laatste omlaag was gekomen en bezig was z'n uitrusting in orde te maken. De jonge knaap wankelde toen hij overeind kwam, viel e verder wilde gaan om naar zijn aangewezen plek in de tuin te gaan.
"Klootzak," siste de korporaal tegen marinier Grient. “ Blijf verdomme op je poten staan.” Metten had Zwijgers al spijt van zijn opmerking. De mannen gaven al alles. Toch fluisterde hij nog. "Wegwezen jij en zoek verdomme dekking."
De mariniers hadden zich verspreid langs de rand van de tuin om in actie te komen zodra de sergeant als laatste beneden was aangekomen. Wije had de tijd goed berekend. Nog hooguit een half uur voor de nieuwe dag zou aanbreken. Maar nu was de omgeving nog in het duister gehuld door de zwaar bewolkte hemel en de deken van mist die over het landschap hing. Zwijgers wachtte geduldig op de sergeant. Hij begreep dat het niet goed was afgelopen toen hij het hangende been van Berges zag en begeleidde de sergeant voorzichtig naar z’n plek. De korporaal legde een hand op de schouder van de sergeant en bracht z'n mond naar Berges oor. "Gaat het sergeant?"
"Je moet niet zoveel ouwehoeren marinier," fluisterde deze terug. "M'n poot is gebroken."
De korporaal wilde Berges helpen.
"Laat maar." Nijdig schudde de sergeant zijn handen weg. "Stom, van me verdomme." En meteen liet hij er sissend op volgen. "Je moet het verder overnemen." De sergeant werd kalmer door de rustig blijvende korporaal en legde een hand op Zwijgers schouder. "Maar dat ben je wel gewend korp... En rustig aan hé."
De twee mannen schudde elkaar stevig de hand. Daarna draaide Zwijgers zich om en sloop zachtjes weg naar de mariniers. Nog werd er niet gesproken terwijl de hemel langzaam van kleur veranderde. De korporaal tikte de marinier naast zich op de schouder. "Geef het door... Straks op linie naar voren en alleen vuren als het niet anders kan..." Zwijgers keek in het eerste vage daglicht naar de steeds duidelijker wordende schaduwen van zijn jongens. De korporaal bracht langzaam zijn hand naar boven en naar voren. "Voorwaarts."
Voorzichtig kwamen de mariniers overeind en drongen op linie de tuin in en meteen door naar de kampong . Er viel geen schot. Er was ook geen enkele reden om vuur af te geven. De mariniers Meurs en Sijne liepen naast elkaar toen ze de para's zagen. Even leek het of Sijne een trek van spijt om zijn mondhoeken had toen hij zijn vinger van de trekker haalde. Toen bukte hij zich en legde een grote klauw op de arm van de zwaar gewonde man. “Rustig maar, voor jou zit het er op.”
Ondanks zijn bezwete lichaam rilde soldaat Nemjap. Hij probeerde het rochelende geluid van zijn makker te negeren en tuurde met z'n half gebroken ogen weer het donker in. Voor de zoveelste maal die nacht probeerde hij een glimp op te vangen van de hoge rotswand. Hooguit honderd meter van hem af maar, door de grijze deken van nevel en zijn tranende ogen, volkomen in duisternis gehuld. De luitenant had gezegd dat de mariniers uit hel dal kwamen, maar Nemjap geloofde daar niet langer in. Hij sloot zijn ogen en luisterde weer naar de onrustige ademhaling naast hem. Voorzichtig strekte hij zijn goede arm uit in een poging Kedar gerust te stellen. Zijn vingers gleden over het kapot geschoten uniform van zijn maat, maar hij kwam niet verder dan het bebloede verband. Kedar had een heupschot en iedere ademhaling leek een uitstel van de vredige dood. Nemjap trok zijn hand terug toen hij het warme bloed voelde en bracht deze, met een eindeloos traag gebaar, naar het veilige gevoel van het machinegeweer. Krachteloos gleed zijn hand weer omlaag. Maar Nemjap gaf zich niet gewonnen en opnieuw bewoog zijn trage arm naar de andere zijde van z'n lichaam. Zijn vingers tastte naar de gevoelloze arm aan die zijde. Maar er was geen andere arm. Hij had weer liggen ijlen. Het enige wat zijn tastende vingers vonden was het bloedige stompje dat eens, in een ander leven, zijn rechterarm was. Nemjap sloot zijn ogen en was even terug in de kampong op Sumatra. Hij zag zijn oude vader moeizaam de patjol in de weerbarstige aarde slaan in een poging de harde grond te bewerken. Toen zag hij z'n moeder. Het gekromde vrouwtje strooide maïs voor de kippen. Eigenlijk hadden de ajams het beter dan de mensen in zijn streek. Een kort, maar gelukkig leven. Na een snelle slacht zouden ze opstijgen naar de kippenhemel en misschien in een ander leven terugkeren als mens. Ja, zo moest het zijn. Na een gelukkig leven als dier, terug naar de aarde om verder te leven als mens. Maar wat was dan de beloning, wanneer je als mens goed geleefd had? Bestond er wel een ander leven na de dood?
Met een schok keerde Nemjap terug naar het aardse bestaan nu, terwijl de kracht uit hem wegsijpelt. Tenzij er nog hulp kwam voor zijn lichaam dat, in zijn ogen, niet langer manlijk was. Niet langer in staat om als een man met de patjol de weerbarstige aarde te bewerken. Hij zou nooit meer in staat zijn om z'n ouders bij te staan in hun strijd tegen de natuur Het bewerken van hun tuin. Tuinen zoals deze. Bevolkingstuinen werden ze genoemd. De bewoners hier brandden, al hadden de blanke hun anders geleerd, een stuk grond plat, nadat ze weggetrokken waren uit hun vorige gebied. Plantten hun zoete aardappelen. Lieten pisang en klapperbomen groeien totdat de grond weer uitgeput was en trokken verder. Deze achterlijke inlanders. Nee, de mensen uit zijn land waren gecultiveerder. Hij kon het woord nauwelijks uitspreken, maar in het leger hadden ze hem veel geleerd. Zijn volk, zelfs de mannen, bewerkten al eeuwen hetzelfde stukje grond. Maar misschien is er voor Oosterlingen een ander begrip van manlijkheid. Nemjap wilde zelfs met dit verwoeste lichaam verder leven. Maar als hij moest sterven was dit geen slechte plek, het deed hem aan thuis denken. Van wie moest hij hulp verwachten? Van die Belanda's. De mariniers? De sergeant had hen verteld dat het duivels waren die Orang Mariner. De sergeant had al eerder tegen hen gevochten en het deze keer met de dood moeten bekopen. Zoals ze allemaal door de Orang Mariner gedood zouden worden. Zij kenden geen genade. Maar van wie zou hij dan hulp kunnen verwachten? De plaatselijke bevolking was gevlucht, terwijl zij de para's, als bevrijders kwamen. Oké, ze hadden enkele inlanders gedood. Dat was stom. Maar ze wilden hun voedsel niet met de soldaten delen. Bovendien zouden ze de Hollanders waarschuwen, daar had de sergeant al vanaf het begin voor gewaarschuwd. Ook al was de sergeant bij de laatste actie al meteen omgekomen, zijn invloed op de eenvoudige soldaten was groot geweest.
Maar als de Belanda's vrienden van de inlanders waren, wat deed hij dan in dit land? Nemjap was maar 'n eenvoudige soldaat die uit armoede in het leger was gegaan. Om zijn familie te onderhouden. Maar volgens zijn ouders was het verraad geweest. Ze wilden vooral in het begin niets meer met hun zoon, Nemjap, te maken hebben. Ook het leger was hun vijand. Een vijand van hun volk. De bezetter. De Javanen hadden immers niets te zoeken op Sumatra. En op al die andere plaatsen buiten hun leefgebied. Heel stiekem had hij het er met zijn vrienden wel eens over gehad. Zulke gesprekken waren gevaarlijk.
Nemjap probeerde deze gedachten uit zijn hoofd te schudden. Maar zelfs zijn hoofd reageerde in een vertraagde beweging. Zouden de Hollanders dan toch vrienden zijn van de plaatselijke bevolking? De luitenant had gezegd dat de Belanda's goed voor hem zouden zorgen. Nemjap wist niet meer wat te moeten geloven.
In een waas keek hij weer naar de donkere massa van de rots. Nee, daar kwam alleen de duivel naar beneden. Met eindeloos veel geduld en onverdraagbare pijn draaide hij zijn lichaam. Hij moest naar het pad. Alleen daar zouden de mariniers vandaan komen. Nemjap wilde op z'n buik naar voren schuiven. Maar hoe kon hij dat met alleen nog een arm en een been? Hij staakte zijn nutteloze beweging toen hij een geluid hoorde. Eindeloos traag bracht hij z'n enige arm naar het veilige gevoel van het wapen. Het verbaasde Nemjap niet toen iemand zijn hand wegtrok.
"Laat maar sobat. Voor jou zit de oorlog erop." Een grote donkere massa knielde naast hem en bracht een veldfles aan zijn lippen. "Rustig maar knaap. Vanaf nu zorgen wij voor jou. "
Eindelijk gunde soldaat Nemjap zichzelf rust. Hij had geprobeerd zijn maten niet teleur te stellen en sloot z'n ogen.
“Hoe is het sergeant?" De korporaal duwde een sigaret tussen de lippen van Berges, die nog steeds onderaan de rots lag en ging op zijn rugzak zitten.
"Die verdomde poot, Zwijgers. Maar ik kan beter aan jou vragen, hoe het gaat? Ik heb geen schot gehoord." De sergeant probeerde zich iets om te draaien en vloekte stevig toen uit protest een pijnscheut door zijn gebroken been trok. "Verdomde poot!"
De korporaal kon niet anders dan breeduit grijnzen voor hij antwoord gaf op de vraag. "Was ook niet nodig, sergeant. De jongens zijn gedisciplineerd opgetreden. We hebben de tuin en het dorp gezuiverd. Geen enkele tegenstand. Alleen twee zwaargewonden para's. Die arme kerels zijn er verdomd slecht aan toe." Met een verveeld gezicht pakte Zwijgers een poetslap en wilde zijn wapen schoonmaken.
"Komop Zwijgers, hoe slecht?"
"Wij mariniers zijn niet slecht, commando," zei de korporaal spottend.
"Rottige marinier," reageerde Berges. Hij wist ook wel dat de korporaal hem in de maling nam, om op deze manier te laten merken dat ze hem straks zouden missen. Wat missen? Hij wist ook wel dat die eigenwijze torren niemand zouden missen. Zeker niet een aan kinine verslaafde rottige zandhaas. Toch kon hij het niet nalaten om de korporaal even uit te schelden. "Afgerukte marinier! Rapport! Hoe is het met die para's?"
De korporaal die net zijn aansteker bij Berges sigaret wilde houwen, trok deze weg. "Oh, met die gasten?" Meteen werd Zwijgers serieus. "Bar slecht. Maar volgens de hospik redden ze het wel. Geen koudvuur bij de wonden. Het zag er erger uit dan het leek. Veel bloed en slecht verzorgd. Een liesschot, vlak naast z'n pens, maar toch zijn onderlijf. En dan nog een para met alleen nog een gezonde arm en been."
Berges schudde voor de zoveelste maal met zijn grote kop, waarbij zijn ver uitstekende gok bijna alle windrichtingen aanwees. "Je bent een heuse optimist, Zwijgers. Menig ander zou beweren dat bij die gozer z'n arm en been eraf lagen." Berges boog zijn hoofd weer naar voren om eindelijk eens 'n vuurtje voor zijn sigaret te krijgen, maar maakte de fout om eerst nog te vragen. "Waarom praat je niet gewoon over die ziekenverzorger, in plaats van paai, stomme marinier. Poten op dek, sloep naar de wal om te passagieren. Allemaal stomme uitdrukkingen."
De korporaal trok de aansteker weer weg en ging rustig zitten. "Daar kan ik je een hoop uitleg op geven, commando. Maar ik zal je alleen vertellen voor een soorten paai's wij hebben. Paai schijthuis, paai washok... "
"Ik weet het nu wel marinier," onderbrak de sergeant hem quasi nijdig. "Geef me eindelijk eens 'n vuurtje."
De korporaal zuchtte hoorbaar, terwijl hij zijn aansteker weer aanknipte.
"Goed gewerkt Zwijgers." De sergeant trok met duidelijk genoegen aan zijn sigaret en blies een rookwolk naar de korporaal." En onze jongens boven?"
"Wije is onderweg om die knapen op te halen. Hij heeft nog een oud pad gevonden dat nogal verscholen tussen de spelonken door naar boven voert. Waarschijnlijk een oude vluchtroute uit de tijd dat in dit gebied nog koppen werden gesneld." De korporaal keek naar het dorp en zei achteloos. "We hebben trouwens bezoek van de Kapelle Kampong."
"Zo, het dorpshoofd. Dat had je me trouwens wel wat eerder mogen vertellen." Berges probeerde overeind te komen en vloekte toen z'n gebroken been weggleed.
Zwijgers bleef grijnzend zitten en deed geen moeite om hem omhoog te helpen. "Wat heb jij ineens een haast. "
"Niet zeiken korporaal. We gaan ruimte maken. Vandaar dat ik blij ben met het dorpshoofd."
Zwijgers keek de onderofficier verbaasd aan en veerde toen verrast omhoog. "Ik begrijp het al sergeant. Ik zal het dorpshoofd gaan halen."
"Niets halen, korporaal. Spalk mijn poot. Ik ga hem begroeten zoals het hoort."
"Wel. Als je maar niet in elkaar klapt sergeant."
"Een commando klapt niet in elkaar, korporaal. Behalve als hij tegen een kogel aanloopt met zijn naam erop. Dat moet jij toch weten, marinier."
Met twee ruwe stokken en een stevig verband wist de korporaal het gebroken been in te spalken. Trok Berges voorzichtig omhoog en wilde hem ondersteunen. De sergeant grijnsde breeduit, duwde Zwijgers arm weg en deed aarzelend enkele pijnlijke stappen. Daarna ging het gelukkig steeds beter. Berges liep voorzichtig naar de heuvel die naar het dorp voerde, keek naar de korporaal die naast hem liep en wees met z'n hand naar achteren. "Zwijgers, daar hoor jij te lopen. Netjes enkele passen achter jouw opperhoofd."
De korporaal spuwde zijn peuk weg en meteen een flinke rochel. "Jij je zin kapelle orang commando. Voor deze keer dan, maar verwacht niet dat ik ook maar een klauw uitsteek als je poot zeer doet."
Zo waardig liep de sergeant de glooiing af en bleef op gepaste afstand voor het naakte mannetje staan.
Het inheemse dorpshoofd keek hem onverstoorbaar aan en verschoof de rode siripruim in z'n mond. Even onverstoorbaar schoof de bergbewoner zijn peniskoker op en neer en ving de schelpjes op die eruit vielen. Hij stak zijn geopende hand naar voren en zei gewichtig. "Mij dorpshoofd. Veel rijk, veel aanzien."
Berges boog beleefd naar voren en keek naar de uitgestrekte groezelige hand waarop de aardse rijkdom lag. "Erg rijk. U groot dorpshoofd." Hij wachtte beleefd tot de oude man ging zitten en volgde onverstoorbaar diens voorbeeld. "Ik hoofd mariniers. Veel problemen. Zieken mannen. Moeten weg met grote vogel."
Het dorpshoofd grijnsde breeduit en keek belangrijk in het rond." Grote vogel goed. Maar moeilijk hier."
De sergeant lachte nu ook en gaf een teken aan de korporaal.
Zwijgers maakte de parang los van zijn koppel en met een knikje naar het dorpshoofd gaf hij deze aan de sergeant. Berges keek even nijdig naar zijn korporaal, kwam moeizaam omhoog en legde het grote kapmes voor de inlander op de grond. Daarna liep hij achterwaarts terug en ging weer zitten. "Kleine vogel kan landen, maar dan enkele huizen weg."
De oude man zei een tijdje niets, terwijl hij met zijn handen over het scherpe lemmet gleed. Toen opende hij zijn tandeloze mond en grijnsde weer breeduit. "Mariniers goed. Soldaten niet goed."
Zwijgers kon niet nalaten om tegen de sergeant te sissen. "Nu hoor je het ook eens van een ander."
Maar de oude inlander ging onverstoorbaar verder. "Nee, soldaten uit hemel niet goed."
"Rotop Rooie," siste Berges terug naar achteren.
"Maken mensen uit dorpen dood." De inlander wachtte even en keek naar het hoge gebergte dat het dal omringde. "Daarom mensen allemaal in bergen. Mij, jullie gezien en daarom nu hier. Praten. Dan mij weer weg. Jullie maken plaats voor vogel. Is goed. Mij, na nieuwe zon terug. Maken zelf weer huizen. Is goed. Mij ook sturen mannen voor helpen." Zonder de mannen nog een blik waardig te keuren stond de oude inlander in een beweging op en liep waardig het dorp uit.
Berges hoorde Zwijgers hardop grinniken, bleef even verbaasd zitten en begon toen ook te lachen. "Oké luilebollen! Enkele hutten kunnen plat. Maar wel netjes, zodat die inlanders ze weer kunnen opbouwen!" Daarna brulde hij. "Sons, wandelende telefooncel. Kom op met dat lulijzer."
De sergeant draaide zich naar Zwijgers toe. "Verdomme marinier. Steek je klauwen eens uit en help je opperhoofd omhoog." Voorzichtig steunend op zijn gewonde been riep hij in de hoorn. "Majoor Daal? Berges hier... We hebben de omgeving gezwiept. Alleen maar twee zwaargewonden... Twee majoor... Nee majoor, niemand van ons. Van de para's... Allemaal netjes gevangen, zonder een schot te lossen majoor." Berges gaf de korporaal een knipoog terwijl hij naar de hoorn knikte. "Jawel majoor. De jongens zijn correct opgetreden. Geen doden, majoor...
Maar wat we hebben begrepen van de gewonden para’s zijn hun maten, onder leiding van een luitenant, naar een nieuw rendez vous gebied weggetrokken. Sorry majoor?..... Ja, een heli zou geweldig zijn.... We gaan een open ruimte . .. Jawel majoor. .. Ik ben gestoord zoals alle sergeanten... Ja majoor. Er moeten twee zwaar gewonden en zes zieken afgevoerde worden... Nee majoor. Voor mij zit het er ook op. Gebroken poot majoor... Nee, geen gekloot. Gebroken been... Geef me twee uur... Hallo?... Ja majoor. De kapelle kampong is het ermee eens. Kapelle... Dorpshoofd! Het gebeurt netjes majoor... Geen paalwoningen majoor... Worden keurig uit elkaar gehaald... Nee majoor! Geen genietroepen, tenzij u ze uit een grote plain wil sodemieteren. Hooguit een ruimte voor de heli majoor... Jawel majoor.... Roger. …sorry majoor. Twee heli’s? Waar ritselt u dat? De Bataafse Petroleum is toevallig in de buurt? Begrepen majoor. Roger“
Wije wankelde onder het gewicht van de marinier die hij over zijn schouders had hangen. Verbaasd keek hij naar de afgebroken hutten. Hij begreep het meteen, maar kon er niet te lang bij stilstaan om het ingenieuze plan dat Berges bedacht had. Landen in de directe omgeving kon niet van wegen het oerwoud dat hen omringde en de vele klapper bomen in de tuin. Zwijgend liep hij verder omlaag. Zijn borst ging hijgend op en neer onder de zware last die hij meesjouwde, maar wel een die hij zichzelf had opgelegd. Hij deed het met een gevoel van brothers in arms. Het was zijn zwaarste tocht geweest die hij ooit gemaakt had. Zelfs die hele verdomde berg van Feneman was kinderspel geweest. Het pad was ongelooflijk steil geweest en verbeten had hij de tocht omhoog gemaakt in de hoop niet al teveel af te wijken en bij de mannen op de eenzame top uit te komen. De zieke, uitgeputte mannen lagen nog op dezelfde plek waar ze de nacht ervoor waren achtergelaten. Hij had meteen gezien dat de jongens er niet goed aan toe waren. Vanaf een grote afstand had hij hun bedrukte stemming gevoeld. Zonder iets te zeggen had hij Zeegers over zijn schouders gehangen en was vooruit gelopen. De vijf anderen strompelden zwijgend achter hem aan. Tijdens de afdaling werd er geen woord gesproken en Wije was hen verbeten vooraf gegaan. De honderd meter hoge kolere rots. Nu, de rots van verderf . Een smal slingerend pad omlaag met alle bochten, ruim twee kilometer. Eindelijk was hij terug in de tuin en verder omlaag naar het dorp. Met een zucht liet hij Zeegers van zijn schouders glijden.
De ziekenpaai knielde naast Zeegers op de grond en kon niets anders doen dan vocht toedienen met enkele zoutpillen. Traag keek hij op naar de mannen die om hem heen stonden. Toen keek hij de sergeant aan.
"Uitdroging.” Iets anders wist ie niet te melden. “Hij komt er wel weer bovenop.”
te zeggen.
Bergers wilde reageren maar zweeg toen het bekende geluid van inkomende heli’s klonk.
Heel even verdwenen de toestellen met een hoop herrie uit het zicht, om hoog boven de bergen een rondje te draaien. Opnieuw vlogen de twee toestellen over de vallei laag op het dorp af. De heli’s stuiterde op de hobbelige provisorische landingsplaats en keerde de rust terug toen de piloot de motor afzette. Het cockpitraam werd opengeworpen en het gezicht dat naar buiten keek grijnsde breeduit. "Goede morgen heren. Will Baans is de naam. Een landingsstripje, provisorisch maar voldoende. Zulk denkwerk kan nooit door mariniers gedaan zijn. Mariniers denken niet, maar dat wordt voor ze gedaan." Het hoofd fronste zich bedenkelijk toen zijn grap de uitwerking miste. "En is er tegenwoordig geen fatsoenlijk ontvangstcomité meer?" Probeerde de piloot nog een keer.
Sergeant Berges riep alleen maar een kort. "Welkom Baans."
Een kleine gedrongen man in een khaki uniform wurmde zich door het nauwe uitgang naar buiten en sprong omlaag. Opnieuw probeerde de piloot met een korte grap de stilte te doorbreken en brulde joviaal. "Vandaag staat er hachee en erwtensoep op het menu, maar ik heb ook een uitgebreide rijsttafel weten te versieren."
Op de mageren gezichten verschenen big smiles en de mannen openden al hun rugzakken om hun vreetgereedschap te pakken.
"We hebben een probleem, Baans." Maar de sergeant hoefde al niets meer te zeggen.
Luitenant Baans keek naar de mariniers die uitgeput op de grond lagen. De piloot keek het kringetje rond en daarna weer naar Berges. "Ik heb uw vervanger bij me. Sergeant Loppes zal vanaf nu het commando overnemen."Toen zagen de mannen pas dat de kleine deur in de romp was opengegaan en sergeant Loppes naar buiten komen. Loppes had het korte gesprek duidelijk verstaan en brulde onnodig hard terwijl hij naar de mannen liep. "De reglementen Berges! De reglementen. Mariniers marcheren." Sergeant Loppes bleef op enige afstand van het kleine groepje staan en taxeerde de uitgeputte geweergroep. Maar ondanks zijn gebrul verscheen er in zijn ogen een blik van trots op zijn jongens. Maar liet het niet merken. Ze moesten nog zo veel verzetten. Toen pas viel zijn blik op de Papoea’s die hun hulp hadden aangeboden met het aanleggen van het veldje. Maar nu eerste die onmogelijke Wije op zijn plaats zetten.
Deze kneep zijn handen tot vuisten en wilde een stap naar voren maken. Met en kort gebaar hield sergeant Berges hem tegen en schudde zijn hoofd. De lange magere commando liep langzaam naar voren en bleef vlak voor de grote forsgebouwde sergeant staan. "Naar de verdommenis Loppes, met je reglementen. Dat flik je maar bij de MP."
Sergeant Loppes keek de magere Berges even recht aan en begon zowaar te grijnzen. “Behalve de behoeftige, al kost het ons korps een fortuin.”
Opnieuw keek Loppes in de ogen van de magere commando en zei toen traag. "Voor deze keer jij je zin, sergeant. Zelfs voor jou is een plekje in de heli." Hij stak zijn hand uit. “En alleen maar omdat je mijn jongens zo veilig en in leven gehouden hebt.” Loppes draaide zich om naar de mariniers en brulde. "Een dag hebben jullie! Morgen breken we op! En wat nu betreft, aanvallen er is een rijsttafel die opgevreten moet worden!"
De jonge knapen konden weer lachen, dus de sergeant was toch nog niet zo beroerd. Geintjes maken kon die ook nog.