PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 7

Hakkend baande de voorste man van de patrouille zich een weg door het oerwoud. Hij hakte de takken zoveel mogelijk in de lengterichting af om te voorkomen dat het geluid tot in de verre omtrek te horen zou zijn. Toch maakte hij met zijn kapmes meer herrie dan de rest van de patrouille met hun opgebonden uitrusting. Ondanks de voortdurende spanning keek Wije even achterom waar de rest van zijn eenheid hem, op veilige afstand, behoedzaam volgde. Hun wapens droegen ze schuin voor hun borst. Ze waren er klaar voor om op het smalle pad dat hij voor hen baande, in dekking te gaan. In een bijna eindeloos ritme ging zijn arm met het grote kapmes weer omlaag. Ze vorderden slecht langzaam in deze vochtige hel. Steeds opnieuw die bijna ondoordringbare groene muur van lage begroeiing en lianen tussen grote woudreuzen. Hun uniformen plakten aan hun bezwete lichamen. Steeds weer hakte de voorste man in deze hel een smal pad. Ineens stopte de marinier in zijn beweging, zakte door zijn knieën en riep naar achteren. "Meurs, laat Zwijgers hier komen."
Even later lag de korporaal naast hem in dekking. "Iets gezien Wije?" fluisterde deze kortaf, terwijl hij zijn natte peuk weggooide.

 

"Een open plek en een afgeknapte tak," Wije zweeg even en zijn ogen volgde een onmerkbaar pad, dat alleen voor deze ervaren eerste man te zien was. "En niet door mij," liet hij er zachtjes op volgen. Zijn arm wees naar voren.
"Hoe oud?" De korporaal was een man van weinig woorden. Het hoefde er ook niet meer te zijn. De mannen begrepen elkaar wel. Ze trokken al zolang samen op.
"Het is al verkleurd. Dat moet minstens een uur geleden gehakt zijn."
"Dus bijna." Opnieuw enkele woorden. "Ga je gang marinier, maar voorzichtig."
"Een geluk, ik hoef niet meer te hakken." De marinier grijnsde. "Ik maakte nog meer herrie dan die gasten achter me." Wije kwam voorzichtig overeind uit de modder van het dampende oerwoud en klopte nijdig de prut van zijn broek. De korporaal lachte spottend en verdween weer naar achteren.
Nu werd er niet meer gesproken toen Wije met zijn arm het signaal, voorwaarts, gaf. De mannen legden een hand op hun veldfles om elk geluid te voorkomen.

Plotseling klonken er schoten en de eenzame marinier aan de kop van de patrouille besefte dat ze in een hinderlaag waren gelopen van de vijand waar ze, na de mislukte aanval op de tuin, dagen achteraan zaten.
"Verdomme," siste hij in zichzelf. "Die klootzakken hebben ons gehoord en zijn op hun spoor teruggekomen." Snel liet hij zich vallen om dekking te zoeken in de dichte begroeiing, terwijl zijn wapen vuur spuwde. De jungle was zo dicht dat hij hun vijand niet zag, maar de dreiging was er niet minder om. Wije besefte dat hij afgesneden dreigde te worden van zijn eenheid. Hij probeerde het contact met de rest van de patrouille te herstellen, maar het vijandelijke vuur was te hevig. Hij leek alleen te zijn te midden van de groene hel. Met zijn machinepistool in zijn linkerhand beantwoordde hij het vuur. In een flits zag Wije vanuit zijn ooghoeken, aan de rechterzijde tussen het dichte struikgewas, een gezicht opdoemen. Alleen zijn onderarm leek te bewegen en in een houw sloeg het kapmes naar beneden. Het gezicht was verdwenen en in de pauze die even ontstond kon hij zich een weg terugbanen naar de patrouille. Zijn ogen zochten de mannen die hij aan beide zijde van het pad in dekking zag liggen terwijl ze hun wapens leeg schoten op de verborgen vijand. Toen zag hij sergeant Loppes liggen, zijn lichaam diep in de modder. Wije dacht dat zijn commandant geraakt was en hij wierp zich naast hem neer. Voorzichtig trok hij het hoofd iets omhoog en zag de grote ogen die hem in paniek aankeken. De man was verstijfd van schrik en zijn wapen had hij nutteloos in zijn handen. Net zo snel en meedogenloos als het begon, was het vijandelijk vuur voorbij maar de stilte leek net zo dreigend als toen de hel losbarste. Heel af en toe klonk er vanaf grote afstand nog een enkel schot.

 

Maar de mariniers wisten uit ervaring dat de vijand, met hun wapen schietend over de schouder, terugtrok. Terwijl iedereen zich hergroepeerde kwam ook de sergeant langzaam omhoog. De marinier keek de sergeant aan en zei spottend. "U vergat te schieten, sergeant."
"Kop dicht Wije, anders ben je die strepen sneller kwijt dan je ze kreeg."
Op dat moment kwam de korporaal naar hen toe. "Alles in orde hier?"
Wije grijnsde en keek de korporaal aan. "Alles is hier weer onder controle Als het goed is ligt er een dode of gewonde para tussen de struiken die ik met mijn parang heb geraakt."
In een beweging stond de sergeant op zijn benen en alle angst was uit zijn stem toen hij naar de rest van de eenheid blafte. "Automatische wapens op de flanken." De sergeant keek zoekend in het rond en brulde opnieuw. "De rest doorzoekt het struikgewas naar eventuele doden en gewonden peloppers." Heel even bleef het stil terwijl de mannen de dichte bush indrongen. Maar toen klonk opnieuw het harde brullen van de sergeant.

 

"Van Dalen, is jouw ploeg nog kompleet?" De sergeant keek naar Wije die met de korporaal nog steeds bij hem stond. "En jouw ploeg? Is iedereen er nog?"
"Alles in orde sergeant," zei Wije terwijl hij zijn wapen gereed maakte om weer vuur af te geven als er onverwacht een nieuwe vijand opdook.
En tegen de marinier van de verbindingen riep de sergeant. "Sons, roep het hoofdkwartier op ! Schietop kerel!"
De marinier met de zware radio op zijn rug kwam moeizaam omhoog.
"Het klote ding is naar zijn moer sergeant. Er zit een groot gat in. Volgens mij hebben ze de radio doorzeeft."

 

De sergeant vloekte duidelijk hoorbaar. "Ben ik verdomme verbindelaar of jij? Repareer dat lulijzer dan. Het is iedere keer hetzelfde gedonder met jou."
"Zal moeilijk gaan sergeant met dat gat... Sergeant."
"Niet lullen Sons. Maken dat ding."
Er klonk een diepe zucht toen marinier Sons zei. "Jawel sergeant."
Wije en Zwijgers keken elkaar grijnzend aan en liepen van de sergeant weg. Duidelijk verstaanbaar zei Wije. "De sergeant is een gevaar, hij had mijn mensen moeten dekken."
De sergeant had de woorden opgevangen en brulde. "Jou spreek ik nog wel in het kamp, Wije. Dit noemen ze insubordinatie."

 

De korporaal legde een hand op de schouder van de marinier. "Je moet opletten met wat je zegt."
Nijdig reageerde Wije. "Hij liep als vijfde man achter mijn ploeg. De sergeant had ons moeten dekken. Het zijn goeie jongens, maar de aanvulling zijn amper uit de opleiding. Je moet het rapporteren."
Toen pakte de korporaal Wije bij zijn schouder. "En jij moet eens naar mij luisteren. Ook de sergeant is een maatje. Wat wil je dan? Die kerel is bijna vijftig. Moet hij met oneervol ontslag. Is het dat wat je wil?"
"Hij moet naar het hoofdkwartier, dan kan hij lekker orders uitdelen en plannen maken. Maar hier is hij een gevaar."
De korporaal haalde zijn hand van Wije's schouder. "Ik dekte jou. Dat doe ik al heel lang. Ik zag dat je het wel redde en trok daarom terug naar de andere jongens die mij harder nodig hadden."
Nog steeds was Wije nijdig. "Ik moet hem niet meer, al een hele tijd niet. Ik..."
Weer legde de korporaal een hand op Wije's schouder. "Houdt je kop nu eens. Ik heb met Loppes nog in Korea gediend. Toen was het een flinke kerel. Hij heeft mij ooit het leven gered. Is dat duidelijk?"
"Dat was toen, ik zorg er zelf wel voor dat het in mijn toekomst niet meer gebeurt," reageerde Wije opnieuw.

 

"Jij doet niets, is dat begrepen?" Zwijgers stem klonk hard toen hij verder ging. "Ik dek al heel lang die grote smoel van jou. Maar haal jezelf geen rare dingen in het hoofd, dat zal ik niet accepteren. Daar ben ik teveel marinier voor en niet een of andere losgeslagen avonturier die zijn vinger constant om de trekker wil houden. Ik zal voor deze keer vergeten wat ik nu gehoord heb. Ik wil ook niet begrijpen wat je bedoelde met die klote opmerking. Maar nu zal ik je nog dekken." De korporaal grijnsde. "Ik verzin wel iets. Ik zeg hem wel dat jij geschrokken was toen je hem zag liggen. En toen maakte je van opluchting opmerkingen die je anders niet zou doen."
Marinier eerste klas Wije lachte toen ook. "Je doet maar. Ik mag hem niet en dat moet hij weten ook. Ik houd mijn kop niet tegen die kerel."
"Dan ben jij een klootzak en raak je nog eens opnieuw je eersteklas strepen kwijt."
De beide mannen drongen door de dichte struiken tot ze de para zagen liggen die door Wije was neergeslagen. De korporaal boog zich over de parachutist. "Kijk, dat is jouw dode. Zijn kop ligt er bijna af."
Wije trok zijn grote vechtmes en knielde bij de dode para om zijn insignes van het uniform af te snijden.
"Wat ga jij nu doen?" vroeg de korporaal verbaasd.
Wije keek omhoog en spottend zei hij. "Ik snijd zijn oren eraf."
"Verdomme, ben je nu helemaal belazerd," vloekte de korporaal.
Lachend keek de marinier op. "Grapje korp. Ik hoef niet zo nodig. Die dode Pelopper is voor mij al genoeg. Zijn baret als souvenir en die schoenen zijn beter dan de onze."
Op dat moment klonk er een harde brul van de sergeant. "Commandanten rapport uitbrengen. De rest dekking en beveiliging rondom. En tempo, we hebben geen uren de tijd."
Spottend zei Wije. "Wel, hij heeft weer volop praatjes. Wat dat betreft lijkt het nog steeds een echte marinier. Eigenlijk jammer, nu kan ik die para niet verder strippen. Ik kan moeilijk met een naakte dooie aankomen."

 

De korporaal gooide zijn opgebrande sigaret weg en schudde zijn hoofd.
"Wije, jij bent echt gestoord, volgens mij zit je alweer te lang in deze buchoorlog. En wat dat andere aangaat, je weet wat ik gezegd heb, jij houdt je kop. Hij is altijd nog de sergeant. Wij, bij het Korps, zijn geen ongeorganiseerde klerebende, maar mariniers met discipline hoog in het vaandel. Ook in het veld. Hij is de commandant en ik eis..." De korporaal keek Wije strak aan en herhaalde. "Ik eis dat jij je daar naar gedraagt, marinier."
De mannen trokken de dode para met zich mee. Toen zij zich weer bij de rest van de eenheid voegde zagen zij de drie gevangen parachutisten die de mannen onder schot hielden. De korporaal liep door naar de sergeant en nam Loppes even apart terwijl hij hem een sigaret aanbood. "Sergeant, Wije is geen kwaaie gozer, maar soms een beetje dom. Ik hoorde van hem dat er nogal de schrik inzat toen hij je zo zag liggen. Daarom maakte hij klote opmerkingen die niet horen, maar in het vuur van de strijd zal ik maar zeggen." De korporaal wachtte even, maar toen zei hij langzaam. "Misschien worden we te oud."

 

De sergeant lachte eens schamper. "Ik hoop stokoud te worden."
"Dat is niet wat ik bedoel," reageerde Zwijgers. "Ik bedoel... voor dit werk."
Nijdig antwoordde Loppes. "Ik weet wat je bedoelt. Maar daar gaat het nu niet om. Ik weet dat je Wije dekt. Maar wat hij flikte kan niet. Ik heb nog iets van je tegoed, korporaal."
"Dat is van lang geleden, sergeant. Maar ik dek je nog steeds. Dat weet je, maar de jongens praten erover."
"Luister Zwijgers. Ik doe mijn werk, zoals iedereen zijn werk moet doen. Ik breng jullie veilig thuis. Ik heb al genoeg doden gezien."
Opnieuw leek de korporaal even te aarzelen, maar zei toen traag. "Maar iedereen moet wel zijn steentje bijdragen."
De sergeant keek Zwijgers strak aan en siste nijdig terwijl hij de rook tussen zijn halfgeopende mond doorblies. "Zo, dat is eruit hé. Luister Zwijgers, ik ben de sergeant en jij korporaal. Begrepen? Ik ben 10 jaar ouder dan jij. Maar als jij je te oud vindt moet je stoppen."
De korporaal haalde zijn schouders op. "Je weet dat ik dat niet bedoel. Ik ben er nog steeds volledig bij en jij..."
De sergeant ging recht voor Zwijgers staan, keek met zijn lengte van bijna twee meter, op de korporaal neer en beet hem toe. "En nu kop dicht. Duidelijk?"
"Duidelijk sergeant," reageerde Zwijgers kortaf en wilde weglopen.
De sergeant leek te aarzelen, maar hield hem nog even tegen. "We zijn maten. Ik weet dat je me dekt." Opnieuw stopte de sergeant, maar zei toen. "Bedankt..., maar over Wije zijn we nog niet uitgesproken." De sergeant keek eens naar Wije die tussen zijn eigen groepje mannen stond en schudde een paar keer zijn grote grijze kop. "Ik eis het uiterste van mijn mensen en hij is een beroeps. Van beroeps eis ik bijna het onmogelijke. Vooral hier in de bush, waar we op elkaar moeten kunnen vertrouwen. De volgende keer gaat hij op rapport. Is dat duidelijk korporaal?" De sergeant keek de korporaal nijdig aan en zei nog eens ter verduidelijking. "En wat mij aangaat is er geen volgende keer, Zwijgers."

 

De korporaal reageerde hier niet op en dacht aan Wije die ook de woorden. "Er komt geen volgende keer," had gebruikt. Alleen bedoelde Wije heel iets anders. Dan zou er wat Wije aanging helemaal geen volgende keer meer komen. En dat was geen aanklacht tegen de sergeant, maar een ongeluk in de hitte van het gevecht. De korporaal begreep de volle inhoud van Wije's boodschap en vroeg zich af of hij niet te ver ging met de marinier de hand boven het hoofd te houden. Een verdwaalde kogel was snel afgevuurd. De sergeant keek zijn korporaal nog eens aan, maar zei verder niets meer. De beide onderofficieren liepen terug naar de mannen en de sergeant bleef voor Wije staan. "Marinier, wat is voorgevallen vind ik disciplinair niet verantwoord. Ik zal het hierbij laten, maar jij blijft op kop lopen." De sergeant keek eens naar het besmeurde uniform van de marinier en zei. "En ook je uniform ziet er niet uit. Zodra we in bivak zijn doe je daar wat aan. Is dat begrepen marinier?"
Wije wilde een nijdige opmerking maken maar de korporaal, die achter de sergeant stond, schudde met zijn hoofd.
Daarom zei de eerste klas, terwijl hij langzaam in de houding ging staan. "Jawel sergeant. Tot uw orders sergeant." Traag bracht hij zijn hand naar zijn pet, salueerde en zei nog even. "U zegt het maar sergeant."

 

"Bek houwe Wije. Geen woord meer!" De sergeant leek nog even te aarzelen maar riep toen. "Oké mannen, dat was goed werk, toen we ons uit die hinderlaag vochten. We hadden mazzel dat die lui bij het zien van mariniers meestal pleite gaan."
De sergeant liep naar de dode para en vroeg. "Is dat jouw werk Wije?" Loppes grijnsde even. "Nou ja, waar gehakt wordt vallen spaanders." De sergeant lachte om zijn eigen woordspeling. Toen keek hij weer naar de dode en zei. "Het lijkt me sterk dat hij blote poten had. Ik zou hem zijn kistjes maar weer aantrekken." Hij keek Wije weer aan. "We hebben onze eigen uitrusting, marinier. En die voldoet prima. Ik wil geen andere kleding zien dan door het Korps verstrekt. Duidelijk?" De sergeant wachtte even, maar zei toen, meer in het algemeen. "Begraaf hem maar, dan doe jullie iets nuttigs." Loppes liep naar de gevangenen en Wije had het woord klootzak al op zijn tong. Maar de korporaal gaf hem zo'n harde stoot in zijn maag dat het slecht een diepe zucht was waarin het woord nauwelijks was te herkennen.

 

De sergeant liep door naar de drie gevangenen en bleef een tijdje wijdbeens voor hen staan terwijl hij hen taxerend aankeek. Daarna begon hij in hun eigen taaltje met ze te praten. "Jullie hebben voor ons genoeg informatie die wij willen weten. Ik geef jullie nog een uurtje de tijd om over mijn woorden na te denken. In die tijd trekken we verder, maar daarna is het lullen." Hij keek hen weer strak aan en vervolgde. "En lullen zullen jullie. Jullie zijn soldaat genoeg om te weten hoe belangrijk het voor ons is. Duidelijk?" Zijn wapen drukte hij tegen de mond van een van de gevangenen terwijl hij tegen zijn mannen zei. "Bindt hun polsen stevig vast, met een lus om hun ballen. Dan weten we zeker dat ze niet pleite gaan." De sergeant draaide zich van de gevangenen af en gaf de mariniers van de 2e ploeg de opdracht. "Jullie dragen zorg voor de gevangenen. Let op dat je ze in de bush niet uit het oog verliest."
De mannen van de 2e groep namen de gevangen parachutisten tussen zich in en weer klonk het commando. "Oké mannen, omhangen en volgen. We gaan nog ongeveer een uur in noord westelijke richting voorwaarts. Volgens de kaart is daar aan de rivier een open plek waar we bivak maken." De sergeant pauzeerde even en keek naar de mannen die hun zware uitrusting weer omhingen. Toen brulde hij overdreven hard, terwijl de mannen vlak voor hem stonden. "Wije op kop. Jouw ploeg volgt. Daarna de tweede ploeg met de para's." Nogmaals inspecteerde de sergeant zijn kleine eenheid die deze keer door de gevangenen aanzienlijk vertraagd zouden worden in hun beweging. Het tempo zou flink lager liggen omdat de para's er alles aan gelegen was om de mariniers in hun mars te belemmeren. Deze keer brulde de sergeant niet, maar met zijn arm gaf hij het duidelijke teken, voorwaarts. Waarschijnlijk besefte de kazerne drilling sergeant dat het oerwoud oren kon hebben. Opnieuw ging de eenheid zo geruisloos mogelijk op pad. Hakkend baande de voorste man van de patrouille zich een weg door het oerwoud. Ze vorderden slechts langzaam .
Het ruisen van een kleine rivier klonk steeds dichterbij en de begroeiing in het dichte oerwoud werd minder. Als een oase, te midden van de groene hel, was daar een open plek bijna idyllisch gelegen aan een rustig kabbelende rivier. De verkenner stak zijn hand op en liet de patrouille halt houden. Meteen gingen de mannen in dekking, de korporaal haastte zich naar voren en wierp zich naast Wije op de grond. Zwijgers grijnsde bijna toen hij zei. "Toch nog vakantie, marinier, dat wordt straks uitgebreid baden." Hij liet zijn ogen in het rond dwalen naar het verkoelende water en de dichte bosrand aan de andere kant van de kali. "Heb je nog iets bijzonders gezien, Wije? Of is alles veilig?"
De marinier nam de tijd om te antwoorden en bespiedde nog steeds de omgeving. "Voorlopig kunnen we wel afhangen, maar het is beter als de mannen nog in de bosrand blijven. Dan ga ik intussen met Meurs de omgeving verkennen."
De korporaal tikte met zijn hand even op de schouder van marinier Wije en verdween weer naar achteren waar hij naast de sergeant ging liggen.

 

"Alles lijkt prima in orde, maar Wije gaat met Meurs de omgeving verkennen."
De sergeant keek zijn korporaal aan en schudde grijnzend zijn hoofd. "Hij is meestal een klootzak, die Wije, maar ondanks alles een goeie marinier." De sergeant wachtte even en zei toen weer." In het veld eigenlijk de beste. Ik laat hem voorop lopen omdat ik baal van zijn grote smoel, maar toch vooral omdat ik hem daarvoor de beste vind." De sergeant zweeg even terwijl hij de omgeving in zich opnam. "Oké Zwijgers, houdt Wije en Meurs nog even vast, ik kom zo naar voren." Langzaam kwamen de beide onderofficieren omhoog en de sergeant gaf zijn orders. "Oké mannen. Afhangen, maar koppen dicht. Automatische wapens op de flanken. Eentje in de bushrand bij de open plek. De rest beveiligt rondom. Jullie kunnen een sigaretje roken hier in het bos, maar niet naar de open plek."
De mannen lieten opgelucht hun veertig kilo zware bepakking op de grond zakken. Al spoedig hadden ze het zich gemakkelijk gemaakt op de drassige bodem van het dampende oerwoud.
De korporaal ging weer naar voren waar Wije en Meurs gereed lagen om verder te gaan. Hun uitrusting hadden ze tussen de struiken afgegooid.
Even later lag de sergeant naast hen. "Wat denk je Wije? Dertig minuten moet genoeg zijn."
Marinier Wije keek op de kaart en zei toen langzaam. "Ik vertrouw het niet sergeant. Volgens de kaart moet dit een brede rivier zijn. Maar hij is smal en stroomt niet al te wild."
De sergeant keek nu ook beter naar het riviertje. "Volgens de kaart moet hij hier inderdaad wel zo'n dertig meter breed zijn. Maar misschien heeft het in de bergen een tijd niet geregend."
Wije keek opnieuw naar de rivier. "Of er is stroomopwaarts een splitsing. Dan zijn er dus twee rivieren. De vijand zoekt ook water om daar hun bivak te maken. Als er inderdaad verderop een afsplitsing is, kunnen ze daar zitten."
De sergeant keek weer naar de kaart. "Niet volgens dit." Met zijn hand sloeg Loppes op de stafkaart.
Korporaal Zwijgers keek ook op de kaart. "Een half uur stroomopwaarts komt de rivier van de bergen." Hij wees naar voren en zei weer. "Dan zou het hier inderdaad sneller moeten stromen." Hij wachtte en zei toen langzaam. "Dan moet er inderdaad nog een rivier zijn."
De sergeant aarzelde niet langer. "Oké mannen, prima. Jullie hebben een uur." Hij keek op zijn horloge. "Vanaf nu."
Met alleen hun wapen staken Wije en Meurs even later het riviertje over terwijl de korporaal de oevers onder schot hield. Na twintig meter verdwenen beide mariniers opnieuw in de dichte begroeiing .

"Wat was het nu eigenlijk toen we in die hinderlaag gelopen waren?" Meurs keek Wije van opzij aan.
"De sergeant lag te pitten." Wije grijnsde even en duwde voorzichtig de takken opzij die tot dicht bij de grond groeiden.
Voorzichtig slopen de beide mariniers door het dichte struikgewas. Ze deden dit werk nu al zo lang dat ze er ook zachtjes bij kletsten, maar hun waakzaamheid was er niet minder door .
"Hoe bedoel je?" reageerde Meurs verbaasd.
"Gewoon, hij vergat te schieten. Dat was het. En toen was ik nogal pissig. Ik moest hem uit de modder trekken om te zien of hij nog leefde."
Meurs vloekte eens stevig toen een tak in zijn gezicht sloeg, maar niet alleen daarom. "Verdomme, hij moest Sijne en mij dekken. Die gasten hadden net zo goed kunnen denken dat ze van die kant konden aanvallen. Nog een mazzel dat Sijne daar met zijn automaat op de flank lag."
De mannen zeiden verder niet veel en hoe verder ze van hun eigen eenheid wegtrokken, des te voorzichtiger gingen ze voorwaarts. Opnieuw werd de begroeiing minder dicht en ze hoorden het donderende geraas van een tweede rivier. Deze werd met geweld tussen de rotsachtige oevers doorgeperst waar stroomversnellingen wilde kolkingen veroorzaakten.
"Ik heb dus toch gelijk," mompelde Wije. "Er is inderdaad een tweede rivier. "De sergeant is een echte klootzak."
Meurs reageerde niet en grijnsde alleen maar. Naast elkaar liggend verkenden ze de omgeving, maar zagen niets dat de aanwezigheid van een eventuele vijand verraadde. "Even een sigaretje roken?" vroeg Wije." Daarna steken we de rivier over. We liggen toch voor op schema en hebben nog zo'n veertig minuten voor de terugtocht."
Meurs grijnsde spottend. "Dan kunnen we nog even kijken of de vijand eraan komt." De mariniers kropen op hun buik weer naar achteren en maakten het zich gemakkelijk tussen de dichte begroeiing, terwijl ze liggend een shaggie draaiden. Toch bleven ze op hun hoede en hielden de omgeving goed in de gaten.
"Toch moet je voorzichtig blijven met de sergeant Wije." Meurs legde zijn wapen opzij en rolde op zijn rug. "Ik bedoel..."
"Kop dicht," siste Wije .
"Nee heus," begon Meurs weer.
"Uit die sigaret. Kijk." Wije gaf Meurs een stevige por tegen zijn ribben. "Daar heb je ze. Acht man."
Meurs rolde weer op zijn buik." Shit, daar komen nog eens drie man. Het zijn er elf. Hadden we maar een automaat. We liggen prima hier."
"We zouden weinig kans maken als er nog een tweede groep is," fluisterde Wije.
"Komop dan, pleite."
"Niks pleite, eerst kijken hoeveel man het zijn."
De beide mariniers schoven voorzichtig op hun buik zover, als veilig was, naar voren en zagen de vijandelijke eenheid die voorzichtig uit de bosrand kwam. De para's waren duidelijk uitgeput en na even de omgeving bespiedt te hebben naderden ze de wilde rivier. Op nauwelijks vijftien meter van beide mariniers wierpen ze zich bijna in het water om hun dorst te lessen. Wije en Meurs bleven nog een tijd liggen, maar trokken zich toen voorzichtig terug. Opnieuw baanden ze zich een weg door het oerwoud er voor zorgend geen sporen achter te laten in de dichte begroeiing .

Commentaren: 0