PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 8

MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN

De man die luitenant Doue in zo'n korte tijd was geworden, had de neiging om weer ineen te schrompelen tot zijn kinderjaren. Een onbezorgde tijd. Toen kon hij nog fantaseren over later of een dagje luieren en spijbelen van school.

 

Toch weigerde de man in Doue zijn nieuwe bezit weer af te staan. Nu was luieren of spijbelen dodelijk. Ook weigerde hij te twijfelen aan zijn eigen capaciteit. De man en de jongen in hem streden om de voorrang. Doue wilde er niet aan toegeven. Toch keerde z'n gedachten heel even terug naar die onbezorgde tijd van zijn jeugd. Eigenlijk nog maar zo kort geleden.
Tot hij zijn eerste doden meemaakte bij Mam Boeni-boeni.
Daar voelde hij zich een echte man met verantwoording voor zijn soldaten. En nu was er de twijfel. De strijd was eigenlijk al verloren toen de hinderlaag mislukte.
Ze hadden die mariniers in de val gelokt. Maar die Orang mariners hadden hard teruggevochten. Ze hadden zich niet overgegeven. Die mariniers waren ook niet gevlucht.
Zijn mannen, nee hij en z'n mannen, waren gevlucht ondanks het voordeel van hun positie. Eerst had hij de vijandelijke verkenner laten passeren, om daarna het vuur op de rest van de patrouille te openen. Maar de mariniers hadden verrassend snel en hard gereageerd. Die Belanda's lagen in dekking bij de eerste schoten en hadden hun posities behouden.
Heel even nog dacht Doue dat het toch nog zou lukken de vijand te overwinnen. Met een van zijn soldaten had hij de verkenner afgesneden van zijn eenheid en ingesloten. Maar Doue zag dat de grote marinier zijn kapmes gebruikte en zijn man doodde. Toen was hij geschrokken. Een wapen afvuren was een bijna onpersoonlijke handeling, maar vechten met een mes deden alleen de besten. De duivel.
Hij Doue, de man in hem, had zijn wapen al op de marinier gericht met zijn vinger om de trekker. Tot hij het woeste gezicht zag. Nee, niet woest. Er was geen enkele uitdrukking op het gezicht van de grote marinier toen deze het kapmes gebruikte. Hij kon de kerel recht in z'n ogen kijken en had gerild. Hij, de luitenant, was bang geweest en had zich stil gehouden tot de marinier weg was. De marinier leek ineens verdwenen. Opgeslokt door het oerwoud. Toen was Doue achter zijn mensen aangerend in een vlucht van paniek, het wapen vurend over zijn schouder.
Doue kreeg zichzelf weer onder controle en zijn harde opleiding maakte van hem weer een kundig officier. Opnieuw miste hij vier man. een zeker dood en van de anderen wist hij het niet. Maar wel wist luitenant Doue dat hij van de mariniers geen genade hoefde te verwachten. Naar de kust terugtrekken kon hij niet. Daar waren andere mariniers. Hij was vast van plan zijn mensen opnieuw de bergen in te leiden om zich over te geven aan de troepen die in het stadje Fak-fak gelegerd waren. Dat waren geen mariniers wist hij uit de rapporten. De Nederlandse landmachttroepen zouden hem wel gevangen nemen. Het zou een helse tocht worden, maar het ging om hun leven.
Luitenant Doue haalde opgelucht adem toen zijn kleine eenheid de kali bereikte. Het was nog vroeg, maar zijn mannen hadden hun rust nodig. Ze zouden hier vandaag hun bivak maken. Morgen zou hij proberen het gebergte weer te bereiken.
Doue wilde zijn mannen nog waarschuwen voorzichtig te zijn toen deze zich in het riviertje wierpen. Hun discipline was volkomen verdwenen.

Het uur was allang verstreken toen ze hun eigen eenheid bereikten. Voordat de sergeant iets kon zeggen stak Wije zijn hand op. "Snel sergeant, dieper het oerwoud in. Elf man. Vier zware automatische wapens, de rest machine pistolen. Zo te zien zijn ze uitgeput, maar ze zullen zelf ook wel de omgeving verkennen voor ze bivak maken."
De mariniers handelden in een snel automatisme en trokken zich terug het oerwoud in. Alleen korporaal Zwijgers en Wije bleven aan de rand van het oerwoud en het wachten begon. Ruim dertig minuten bleven ze liggen, voor ze de vijand zagen die voorzichtig aan de andere kant van de rivier uit de bosrand kwam. Twee parachutisten in camouflage pakken naderden de open plek langs de rivier en met een kijker verkenden ze de omgeving. Het leek eindeloos lang te duren, maar eindelijk gingen de para's zitten om op hun gemak een sigaret op te steken. Zwijgers en Wije keken elkaar aan, grijnsden en bleven rustig liggen. Opnieuw leek het wachten een eeuwigheid te duren, maar toen stonden de para's op en trokken zich weer terug in het oerwoud .
Nog heel even bleven Zwijgers en Wije liggen waarna zij zich terugtrokken naar de rest van hun eenheid en sergeant Loppes .
"Oké sergeant, die gasten zijn pleite." De korporaal keek Loppes afwachtend aan tot deze zei. "Het is het beste als we aan de overkant een post inrichten met een automatisch geweer."
De sergeant keek zijn mensen aan en gaf het bevel. "Dat wordt een taak voor de tweede ploeg. De eerste ploeg beveiligt de boel aan deze kant. Maakt jullie gereed, daarna wil ik de ploegcommandanten hier hebben."
Op zijn gemak liep Wije naar zijn maten. Tot zijn verbazing zag hij dat Meurs en Sijne bezig waren zich te scheren en hun schoenen te poetsen. "Waar zijn jullie nou verdomme mee bezig? Hebben jullie niets beters te doen? Is er al een post ingericht om het bivak te beveiligen?"
Meurs was de enige die reageerde. "Rijke zit op post, verder nog niemand. Je weet hoe de sergeant is. Wat dat betreft denkt hij dat met gepoetste schoenen de vijand beter is aan te pakken. Jij mag je ook wel even uitsloven voor Loppes, anders krijg je nog een rapport aan je kont."
Wije schudde zijn hoofd. "Houdt op met dat gezeik. Het is nog maar de vraag of hij de vijand wel aan wil pakken. Volgens mij is het voor hem een mooi excuus dat we die gevangenen hebben. Dan kan hij met goed fatsoen terug naar het kamp." Wije taxeerde de omgeving en wees Sijne aan om met zijn automatisch wapen, aan hun kant van de rivier een post in te richten
Er bleven nog maar weinig mannen over. Eigenlijk waren ze ook met veel te weinig mensen. Vooral nu ze drie gevangenen hadden om te bewaken.
Maar de mannen die op dat moment niets te doen hadden spanden de halve tentzeiltjes en richtten een provisorisch bivak in. Een man van de tweede ploeg stak de rivier over en maakte een post net iets binnen de rand van het oerwoud.
Even later kwamen de beide ploegcommandanten samen onder het afdakje van de sergeant en korporaal.
Loppes keek Wije aan. "Je hebt gezien dat ik je mensen opdracht heb
gegeven zich te fatsoeneren." Opnieuw keek de sergeant naar Wije's vervuilde uniform en zei hoofdschuddend. "Ik had van jou verwacht dat je het goede voorbeeld zou geven."
Wije wilde een opmerking maken maar voor de tweede keer die dag gaf de korporaal hem een stevige por tussen zijn ribben. De sergeant lette er verder niet op en spreidde zijn stafkaart uit. "Oké mannen," begon Lopers. "Deze klus zal nog heel wat van ons vergen. Onze opdracht is om de vijandelijk eenheid uit te schakelen. Maar we zitten met drie gevangenen opgescheept. Dat kost ons al vier man als bewaking wanneer we de gevangenen onder begeleiding terugsturen naar het kamp." De sergeant keek het kleine groepje aan alsof hij al wist dat er commentaar op zou komen. "Ook al zouden we ze onder bewaking hier laten om de vijand verder te achtervolgen."
"Heeft u al wat meer inlichtingen wat betreft de sterkte van die para's?" vroeg marinier eerste klas van Dalen die de tweede ploeg leidde .
De sergeant grijnsde en richtte zich in zijn volle lengte van bijna twee meter op. "Jullie weten dat ik daar geen moeite mee heb, omdat ik het taaltje van die knapen spreek." Loppes keek zijn mannen nog eens triomfantelijk aan. "Er zijn inderdaad nog twee ploegen gedropt, maar deze opereren in het gebied van de 3de geweergroep."
Wije had moeite om zijn gedachten niet uit te spreken en keek alleen maar naar de korporaal terwijl zijn mond de woorden "lul," vormde.
Het enige dat Wije hardop zei was. "Afschieten die gasten, nu we ze niet meer nodig hebben. Daarna kunnen we achter de rest aan."
De mannen keken hem aan en alleen van Dalen zei." Ik vind ook dat we achter de rest aanmoeten en die gevangenen belemmeren ons daarbij."
Korporaal Zwijgers schudde zijn hoofd. "Zolang ze niet proberen te ontsnappen wordt dat een moeilijke zaak. Maar we moeten iets doen om de vijand te vernietigen."
"Dan laten we ze toch ontsnappen," zei Wije weer .
"Houdt jij je grote smoel Wije. We laten niemand ontsnappen," zei de sergeant. "We trekken ons met de gevangenen terug."
Langzaam zei korporaal Zwijgers. "Dat is niet onze opdracht. We moeten die vijandelijke eenheid uitschakelen. Ze vormen een gevaar voor de dorpen in de buurt."
"We zijn maar met acht man," begon de sergeant weer .
"Niet als we de gevangenen achterlaten. Ze zitten prima aan die bomen. Daar komen ze niet van los," reageerde Wije. "Het is onze opdracht. We kunnen niet terugkomen en melden dat we nog een groep van elf para's in het veld hebben achter gelaten."
Korporaal Zwijgers keek de anderen aan en vroeg toen aan de sergeant.
"Heeft u nog contact gehad met het hoofdkwartier? We moeten iets doen sergeant. We kunnen ze pakken, omdat wij het voordeel hebben dat we weten waar ze zitten. Onze aanval zal hen zo verrassen dat het voorbij is voor ze kunnen reageren."
De sergeant aarzelde. "De radio is nog steeds buiten werking en het ziet er niet naar uit dat ding gerepareerd kan worden. De beslissing ligt geheel bij ons."
Opnieuw zei Wije. "Dan moeten we die gasten achterlaten. Een bewaker moet genoeg zijn."
De korporaal keek Wije aan, schudde zijn hoofd en zei. "We moeten iets doen, anders maken we een slechte beurt op het hoofdkwartier."
De sergeant aarzelde duidelijk. "Oké Zwijgers, als jij een oplossing hebt voor de gevangenen laat ik het aan jouw over." Peinzend zei de sergeant, terwijl hij voor zich uit staarde. "Het hoofdkwartier was inderdaad duidelijk in hun orders. Dus ga je gang korporaal als je denkt dat je een oplossing hebt. Maar denk erom ik wil geen herrie en een hoop gezeik hebben na afloop, als we terug zijn."
Korporaal Zwijgers stond op. "Prima sergeant, straks zijn alle partijen tevreden. De gevangenen bij ons en het hele gebied gezuiverd van parachutisten." Daarna keek Zwijgers Wije aan en zei langzaam, terwijl hij zijn wapen op scherp zette. "Dat is een klus voor ons. Laten we gaan."

VAN DE DODEN GEEN LAST .

"Wat is je bedoeling met die para's?" vroeg Wije en keek van opzij de korporaal aan terwijl hij ook de veiligheidspal van zijn wapen naar voren zette. Zwijgers wilde niets zeggen en haalde alleen maar zijn schouders op.
Beide mannen keken over het bivak heen naar de para's die nog steeds aan de bomen vastgebonden waren.
"Wil je die knapen dan toch neerleggen?" bleef Wije aanhouden.
De korporaal bleef staan en keek Wije aan. "Houdt toch eens een keer je stomme opmerkingen voor je," reageerde Zwijgers nijdig. "Niet dat ik daar mee zit, maar wat dacht je van die dienstplichtigen. Grote kans dat ze later gaan lullen? We zitten er mee in ons maag en het interesseert mij niet als die gasten proberen te ontsnappen. We hadden eigenlijk niet zoveel gevangenen moeten maken." Zwijgers grijnsde even. "Alhoewel een gevangene altijd te weinig is, dan kan je niet checken of zijn informatie wel betrouwbaar is. Dat is zo klote juist, je hebt er altijd twee nodig. Maar er is best wel een andere oplossing voor ons probleem."
Wije lachte. "Wat een verhaal uit jouw mond. Je naam is Zwijgers, maar ik vind je nu toch wel erg langdradig. Normaal gesproken lul je weinig en doe je tenminste je naam eer aan." Wije grijnsde weer en zei. "Komop, dan gaan we die Peloppers halen. Ik weet al wat je bedoeling is. Op de flanken van het Fak-fak gebergte zijn die rotsholen waar we vorige maand tijdens patrouille langskwamen. Ik heb onderweg mijn ogen goed de kost gegeven. Daarom loop ik immers op spits."
De mannen liepen weer verder." Inderdaad," zei Zwijgers." Hooguit dertig minuten, komen ze nooit uit."
In het bivak heerste een bedrieglijke rust. Het kabbelen van het kleine riviertje maakte de mannen, die op dat moment weinig te doen hadden, loom en lui zaten ze voor hun optrekjes eten klaar te maken. Het grootste probleem voor dat moment was een vuurtje maken waar geen rook vanaf kwam, terwijl alles in het oerwoud nat was. De drassige grond dampte, net als hun bezwete uniformen die aan hun lichamen plakte. Door de bevoorrading in Bakku konden ze weer een tijdje vooruit met het weinige dat ze hadden. Al was er niet veel meer van over. De sokken gevuld met rijst en de blikken noodrantsoenen bestaande uit witte bonen en haring in tomaten saus. Dat gaf opnieuw blijk van weinig fantasie bij het Korps. Midden in de bush hachee of witte bonen. De combinatie alleen al. De mariniers hadden geen oog voor de schoonheid van het oerwoud maar waren alleen bezig met overleven in een voor hun vijandig gebied. Het riviertje nodigde uit tot een verfrissend bad maar door de aanwezigheid van de para's was daar volgens de sergeant geen denken aan. Het enige wat zij zich mochten veroorloven was snel langs de rand van de rivier hun kleding soppen terwijl anderen met hun wapens de omgeving onder schot hielden. Maar de mariniers hadden zo hun eigen manier om orders op te volgen en hun uniformen schoon te krijgen. Ze gingen gekleed in de kali liggen. Klote sergeant ook. Het liefst gingen ze op de vijand af die immers hooguit een half uur van hen vandaan met hetzelfde probleem kampte. Wel volop water en niet mandiën. Van Wije wisten ze dat de para's er slecht aan toe waren Ze zouden ze zo kunnen afknallen eer die gasten wisten waar zij, de mariniers, vandaan kwamen. Maar de sergeant wilde het zo terwijl ze wisten dat met enkele salvo's van hun zware wapens het hele zootje konden doden. Misschien kwam de korporaal wel met een goed voorstel. In Zwijgers hadden ze meer vertrouwen dan in Loppes. Eigenlijk was het nog te vroeg om al in bivak te gaan. Vier uur in de middag en de vijand op een half uur afstand klaar om afgeschoten te worden. Ze hadden er zin in. Dat was meer in hun gedachten dan de grootse schoonheid van de bush om hen heen. Het enige dat af en toe nog hun aandacht kon trekken was het doordringende geluid van een Paradijsvogel die hoog boven hen in de bomen zat. Ook de vele Kaketoes lieten zich niet onbetuigd en hun felle geschreeuw klonk boven alles uit. Ook konden ze geen varkens jagen om het eentonige voedsel aan te vullen. Dat trok ze eigenlijk wel. Eerst die para's te lijf gaan en dan varkens jagen in de dichte bush. Menige marinier zuchtte eens diep terwijl hij, met onderdrukt jachtinstinct, naar de dichte begroeiing keek. Dampig oerwoud met grote woudreuzen, bijna ondoordringbare kreupelhout en lianen waar je niet goed van werd. Nog erger dan kerstversiering. Het enige waar die groene slingers goed voor waren was het vocht dat erin zat. De schildwachten hadden zich in de harde grond ingegraven en maakten zich klaar voor een lange wacht voor de komende tijd. Normaal zaten ze een uur op post en waren dan twee uur vrij. Maar door de onderbezetting zou het wel weer een uur op en een uur af worden. Dat beloofde een lange nacht te worden met weinig slaap.
De marinier die de gevangenen moest bewaken deed alsof hij zat te suffen in de hoop dat ze zouden proberen te ontsnappen. Achter de para's had hij laag bij de grond een struikeldraad gespannen zodat de gevangenen niet ver zouden komen. Met schieten zou hij de vijand, die een half uurtje van hen af bivakkeerde, alarmeren. Daarom zou hij bij een ontsnapping zijn mes moeten gebruiken. Het zat los in zijn schede. Hij had wel gezien dat de para korporaal steeds aan zijn boeien zat te rommelen. Wel, met een beetje geluk zou hij proberen weg te komen. Dat was immers de plicht van elke soldaat. Ontsnappen, al zou dat niet meevallen met een touw om zijn ballen en enkels. Nee, hij zou niet ver komen.
Traag keek de marinier op toen korporaal Zwijgers en eerste klas Wije naar hem toe kwamen. "Waar is je maatje Emmers? Ik dacht dat jullie hier met twee man op post zaten."
"Derek maakt wat te eten klaar korp. Dat moet toch iemand doen, we hebben niemand over nu we ook die post aan de overkant hebben. Bovendien hebben de gevangenen nog niets gegeten. Niet dat ik daar haast mee heb, we hebben zelf al zo weinig nu we niet kunnen jagen."
De korporaal grijnsde. "Maak de gevangenen maar los, Emmers. We zullen jouw van al je zorgen bevrijden, kan je tenminste ongestoord eten. We gaan een stukje met ze wandelen."
Marinier Emmers keek vol verwachting naar de korporaal. "Gaat er eindelijk wat gebeuren korp? Ik baal van die gasten. We kunnen beter achter de rest aangaan." In een beweging stond de bewaker op en met zijn mes liep hij naar de gevangenen. Hij keek niet om toen hij de para's lossneed van de bomen en zei over zijn schouder. "U kunt beter niet teveel herrie maken korp, als u ze afschiet. U weet zelf dat er verderop nog meer van die gasten zitten."
"Je moet niet lullen marinier. Maak ze maar gewoon los."
Wije ging schuin achter de gevangenen staan om ze onder schot te houden. Hij zag dat de para's het niet vertrouwden. Hun ogen flitsten rond om eventueel een snel heenkomen te zoeken. Emmers wilde weer een opmerking maken maar snel zei Wije. "Smeer hem nou maar Emmers, je moet je niet overal mee bemoeien. Denk liever aan je kouwe prak."
Wije bukte zich en gaf het touw om de enkels van de gevangenen wat meer speling. Hun polsen liet hij gebonden waarvan het andere uiteinde in hun broek verdween met een lus om hun ballen. Hij porde zijn wapen in de rug van de para korporaal. "Oké, jalang, lopen jullie." Zelf ging Wije voorop en in linie verdween het groepje in het oerwoud. Ze vorderden slechts langzaam met de gevangenen die duidelijk moeite hadden in het ruige terrein. De para's konden slechts kleine stapjes maken door het touw dat om hun enkels zat. De tocht voerde de mariniers met hun gevangenen naar de uitlopers van het Fak-fak gebergte. De drassige bodem van het oerwoud werd steeds rotsachtiger. De dichte begroeiing lieten ze achter zich en maakte plaats voor open terrein waar de zon onbarmhartig weerkaatst werd door hoog oprijzende rotsen .
"Oké Zwijgers, de bajes in een natuurlijke omgeving. Het lijkt wel vakantie te worden voor die gasten." Wije bleef staan voor enkele schachten in de grond, waarvan de diepte niet te peilen was. "Wat nu? Donderen we ze gewoon naar beneden of wil je een zacht plekje voor ze uitzoeken?" Hij grijnsde en keek taxerend naar de gevangenen. "Maar laten we dan wel een beetje humaan zijn. Ze hebben nog maar zo kort."
"Grapjas, laten we liever kijken waar we ze veilig kunnen opbergen." Zwijgers liep naar de rand van een van de rotsholen en gooide een steen naar beneden. "Ik wil ze er weer levend uithalen Wije. Dus geen geintjes."
"Dan zal een van ons toch moeten afdalen om de zaak beneden te checken. Het zou lullig zijn als er beneden gangen lopen waardoor die gasten er zo weer uit kunnen lopen."
De korporaal keek Wije spottend aan. "We kunnen moeilijk een van hen de zaak laten bekijken en jij bent van ons het laagst in rang." De beide mannen knielden aan de rand van het gat en Wije gooide een lichtgranaat omlaag.
"Zag je dat. Een zij ingang zo'n vijf meter lager. Ideaal toch. Daar komen ze zelf nooit uit." Zwijgers stond op en rolde het klimtouw uit.
"Wel, als het aan mij ligt ook niet met hulp van mij." Wije keek in het rond en zei weer. "Maar we moeten het gat wel afdekken voor het geval ze teveel herrie maken." Rustig knoopte hij de lijn om zijn borst terwijl Zwijgers het andere eind om een rots heen sloeg. Langzaam leunde de marinier achterover en lopend langs de wand klom hij behendig omlaag. Inderdaad stopte de lijn na zes meter en gesmoord klonk Wije's stem.
"Ideaal Zwijgers. Ik knoop nu los, laat ze maar zakken die gasten."
Twee gevangenen werden aan de lijn omlaag gelaten. "Oké Zwijgers, laat nummer drie maar zakken. Ik begin honger te krijgen."
Korporaal Zwijgers maakte bij de laatste gevangene het touw om zijn enkels los toen de para hem met zijn schouder een harde stoot gaf en met grote sprongen de bushrand probeerde te bereiken. Maar Zwijgers was gelukkig niet helemaal uit balans en wist de man weer te over meesteren. Toch gaf deze zich nog niet gewonnen en probeerde met een duik weg te komen. Zwijgers ramde met zijn schouder de para in zijn maag die hard op grond neerkwam. De korporral nam geen risico en met zijn me naderde hij de soldaat. Maar voorzichtigheid was niet meer geboden. Dode ogen staarde hem aan.
Wije was net uit het hol geklommen en keek het tafereel aan en begreep het.
"Ja korp, een bedrijfsongeluk. Maar we kunnen hem hier niet achterlaten. Die andere gasten zitten goed en kunnen geen kant op. Jammer voor ze dat ze nog niet gegeten hebben. Alhoewel, dan hebben ze tenminste ook geen fut als ze toch iets proberen. Wat doen we met hem?"
De korporaal haalde zijn schouders op en zei rustig. "Gewoon omlaag donderen." Zwijgers grijnsde. "Hebben ze nog iets te eten als ze willen."
"Je hebt wel gevoel voor humor korp. Straks gebruiken ze zijn botten om eruit te klimmen."
"Over humor gesproken Wije. Zo is het wel genoeg."
De beide mannen hakten enkele stevige takken en legden deze over het gat. Daarna nog enkele struiken om verder af te dekken.
De tocht terug naar het bivak ging sneller nu ze langs de flanken van het gebergte omlaag moesten. Toch gingen ze voorzichtig voorwaarts. Geen geluid verstoorde de rust van het oerwoud en beide mannen leken volstrekt alleen te zijn.
"Ze zijn goed, hé, die jongens," fluisterde Wije en legde zijn hand op Zwijgers arm. "We moeten er bijna zijn. Laten we maar voorzichtig zijn voor ze ons afschieten." Bijna onhoorbaar gingen ze verder, in de nu snel invallende duisternis, tot Wije zijn arm opstak. Nog voorzichtiger dan eerst slopen ze in de richting van het bivak en de mannen hadden moeite om de wacht te vinden die de omgeving bewaakte. Ze keken elkaar aan en wezen alleen maar in de richting van het bivak. De marinier op post werd net afgelost en alleen daarom ontdekten ze de goed gecamoufleerde stelling. De beide mannen maakten opzettelijk veel herrie om hun nadering aan te kondigen. "Oké marinier, niet schieten. Zwijgers en Wije hier."
"Prima. Korporaal, Wije, kom maar verder." De marinier richtte voor zekerheid zijn wapen op de mannen tot ze in zicht waren. "Alles geregeld met de Peloppers?" Meurs keek hen nieuwsgierig aan.
"Kop dicht Meurs," zei de korporaal. "Straks hoor je alles. Blijf liever opletten. Wat nog nadert kan alleen vijand zijn."
Wije gaf Meurs een kameraadschappelijke tik op zijn hoofd, terwijl Zwijgers en hij doorliepen naar de sergeant die voor zijn tent zat. De volle maan die door het dichte bladerdak nog werd gefilterd, verlichtte vaag de silhouetten van de tenten en de mannen die er zacht pratend voor zaten. Loppes snoof eens diep zijn neus en schudde in het donker zijn grijze kop. "Iedereen is gewassen en geschoren en jullie stinken als zwervers. Ik verwacht van mijn kader dat ze het goede voorbeeld geeft. Breng eerst maar rapport uit, daarna verwacht ik dat jullie er wat aan doen."
"Wanneer ik straks even mag madien, graag," reageerde Wije deze keer glimlachend..
Wije keek naar opzij toen hij Zwijgers hoorde grinniken, maar dat weerhield hem er niet van om tegen de sergeant in te gaan. "Toen ik die para's lag af te leggen had ik gelijk met die gasten een duik kunnen nemen"
"Kop dicht marinier. Je hebt trouwens nog een geluk dat ik het nu niet alleen tegen jou heb." De sergeant draaide in het donker zijn hoofd naar Zwijgers. "Ja jij ook korporaal. Je kan nu wel een hoop herrie maken met dat lachen van je, maar dat geldt evengoed ook voor jou." De sergeant keek Wije weer aan en zei kortaf. "Doe wat ik zeg, verder geen praatjes." De sergeant schakelde over op een ander onderwerp en vroeg de korporaal. "En, die gevangenen? Veilig?"
"Een van de gasten probeerde te ontsnappen," antwoordde Zwijgers kortaf. “Het werd een gevecht en hij kwam daarbij om.”
"Is erbij geschoten?" De stem van de sergeant klonk ongerust. "Niet dat we hier iets hebben gehoord, maar we kunnen niet met zekerheid zeggen of er nog meer van die gasten in de buurt rondzwerven."
"Nee, het ging geruisloos. We hebben de gevangenen en de dode in enkele grotten gedumpt waar ze zonder ons niet uitkomen."
"Hier in de buurt? Jullie zijn wel lang weggebleven."
"Die rotsholen die we vorige maand ontdekten."
"Prima. Het lijkt me verder een duidelijke zaak. We gaan die gasten aanpakken. Maar nu lukt het niet meer. Het is te donker om met de jongens nog op stap te gaan."
De sergeant bukte onder de poncho en stak voorzichtig een sigaret op .
"Wat denken jullie?" vroeg Loppes terwijl hij met zijn handen de sigaret afdekte .
Het was Wije die hierop reageerde. "We moeten er vannacht nog op af om de boel te verkennen en voor te bereiden. Niet dat ik verwacht dat ze morgen verder trekken." De marinier stak ook voorzichtig, met zijn hoofd onder het zeiltje, een sigaret op. "Die gasten zijn veel te uitgeput. Langs de rivier staan klapperbomen en pisangstruiken. Ze blijven vast nog een dag bivakkeren om uit te rusten en eens goed te eten."
"En korporaal, wat denk jij?" De sergeant keek Zwijgers aan en duidelijk was dat hij niets zou doen zonder instemming van de korporaal .
"Wije heeft gelijk. We moeten die gasten aanvallen als het licht wordt."
"En jij wil er met Meurs op af?" De sergeant keek Wije weer aan. "Lukt dat met die jongen vannacht?"
"Ik denk dat we vannacht met drie man op pad moeten gaan. De korporaal en ik om de boel te verkennen en Meurs op de achtergrond. Die knaap kan niet de hele nacht op twee meter van een post in spanning zitten."
De korporaal knikte met zijn hoofd maar begreep toen dat de anderen dit in het donker niet konden zien. "Hopelijk dat het niet de hele nacht helder blijft. Die para's zullen ook drie posten uitzetten. Net als wij geen bivak langs de rivier , maar wel een post. We zullen stroomafwaarts de rivier oversteken om hun bivak besluipen en de posten uit te schakelen."
Het bleef even stil tussen de drie mannen. Geen geluid drong uit het bivak tot hen door en zelfs het oerwoud leek, op een enkele vogel na, te slapen .
Heel af en toe bewoog een zuchtje wind de kruinen van de bomen hoog boven hen. Enkele meters naast het bivak stroomde het riviertje. Maar dat was dan ook het enige geluid dat tot de mannen doordrong. "Wel mannen," begon de sergeant. "Gaan jullie nog maar even rusten. Ik wek jullie om middernacht." De beide anderen wilden net opstaan toen de sergeant weer zei. "Wije, ook voor jou is dit de laatste waarschuwing. Jullie stinken een uur in de wind en gaan je eerst opknappen. Ga desnoods in de kali liggen, maar doe er wat aan. Duidelijk?"
Wije wilde een opmerking maken, maar Zwijgers gaf hem een por, terwijl hij tegen de sergeant zei. "Het is beter als ik bij Wije onder zijn afdak kruip. Dan kunnen we nog even de plannen doornemen." Samen liepen de mannen weg van de sergeant. "Die klootzak," zei Wije nijdig. "Hij denkt dat we alleen met gepoetste schoenen de vijand kunnen pakken."
"Nee, jij bent een klootzak. Ga vannacht in de kali liggen, dan is iedereen tevreden," siste de korporaal. "Trouwens, je stinkt inderdaad."
"Heerlijk, houwe zo. Maar wat denk je trouwens van jezelf. De sergeant heeft gelijk, je stinkt als een zwerver," fluisterde Wije terug en gaf meteen een stevige stoot tussen Zwijgers ribben. Deze kreunde even. "Had je nog tegoed." Wije grinnikte zachtjes. "Ik heb vandaag van jou genoeg op mijn donder gehad om voorlopig geen bokstraining te doen."
Wije liet Meurs aflossen en de drie mannen lagen nog een tijd te kletsen. Eindelijk gunden zij zichzelf rust en legden hun hoofd op de rugzakken .

De hemel zag er dreigend uit waardoor de duisternis snel was ingevallen. Eigenlijk kwam het luitenant Doue goed uit nu het er op leek dat het zou gaan regenen, waardoor het bivak beter tegen eventuele waarnemingen beschermd zou worden. De snel stromende rivier overstemde ieder geluid, maar het stelde Doue niet gerust nu de mannen dachten nonchalanter te kunnen zijn. Hij had nog net kunnen voorkomen dat een van de soldaten met zijn kapmes een klapper wilde klieven. Maar eigenlijk kon de jonge officier niet overal tegelijk zijn. Hij miste niet alleen de sergeant die bij de eerste actie zo goed als zeker gedood was. Toen de sergeant zich op het rendez vous niet meldde kon hij er zeker van zijn dat deze niet zomaar als vermist beschouwd kon worden. Maar hij miste ook de korporaal die, na het vuurcontact die middag, niet meer was komen opdagen. Het behoorde tot de tactiek van de para's om voor iedere actie een verzamelpunt af te spreken, mochten ze uiteen geslagen worden. Vanaf nu stond hij er helemaal alleen voor. Korporaal Maluwa was een rustige man geweest, maar toch hadden hij en zijn soldaten veel vertrouwen in hem.
Opnieuw dreigde luitenant Doue te vervallen in een somber gepeins. Maar hij schudde alle sombere gedachten van zich af en stond vastberaden op.
Voor de laatste maal die avond controleerde de officier het bivak dat hij met zijn mannen had ingericht. Veel mensen, om bivak te beveiligen, had hij niet meer. Het bivak was ook niet erg tactisch gebouwd in dit vlakke terrein. Meestal richtten de para's hun bivak in volgens een vast systeem van drie ringen, op verschillende hoogtes. Doue lachte wrang. Wat maakte het ook eigenlijk nog uit dat hun bivak tactisch niet in orde was. Ze waren toch al met te weinig mensen. Niet meer dan elf man. Maar als het in de bergen ging regenen zou de rivier woest genoeg worden om bescherming te bieden tegen een onverwachte aanval. Daarom had hij aan de kant van de rivier slechts een post ingericht. Dat moest genoeg zijn. Opnieuw trok een smalend lachje over het gezicht dat in korte tijd zoveel ouder was geworden. Hij wist dat het einde in zicht was ondanks zijn plan om zijn mensen door het Fak-fak gebergte te brengen. Hij had zijn soldaten nog niet ingelicht dat hij zich wilde gaan overgeven. Maar niet aan die verdomde Orang Marinier. En die veilige rivier? Hij had voldoende ervaring opgedaan om te weten dat er voor die mariniers niets onmogelijk was. Daarom had hij twee van zijn beste mannen de omgeving laten verkennen. Ze hadden nog een rivier gevonden, maar volgens hen was alles veilig. Niets wees volgens hen op vreemde aanwezigheid. Geen mariniers te bekennen.
Zou hij dan toch gelukt zijn om, na het dramatische vuurcontact, de mariniers af te schudden? Urenlang had hij zijn mensen door de rivier laten ploeteren om elk spoor uit te wissen.
Luitenant Doue slaakte opnieuw een diepe zucht. Het zou de zoveelste zware nacht worden. Snel dronk hij nog wat van de versterkende klappermelk. Hij zou de eerste wacht in de commandopost lopen. Twee uur op en een uur af. Elf man om drie posten te bezetten. Langzaam maakte de officier een rondje door het bivak. Niet meer dan enkele met palmbladeren afgedekte verhogingen. Had hij nog maar enkele granaten, dan kon hij boobytraps plaatsen als extra beveiliging. Maar zelfs dat hadden ze niet meer. Niet meer dan vier automatische wapens. Van alles veel te weinig om nog langer een oorlog uit te vechten. Nooit eerder verlangde luitenant Doue zo naar het eerste ochtendlicht .

Af en toe bewoog een stevige wind de bomen en struiken waardoor het zachte ruisen van de kleine rivier, die tussen de rotsachtig bedding stroomde, naar de achtergrond werd verdrongen. Enkele wolken dreven voor de maan waardoor alleen de vage silhouetten van de mannen, die direct naast hen zaten, te zien waren. De omgeving was in zo'n duisternis gehuld dat het bivak van de aardbodem verdwenen leek en zelfs het geluid van de nachtvogels was verstomd. De sergeant had de drie mannen precies om middernacht gewekt en gapend maakten ze zich gereed voor hun nachtelijke tocht door vijandelijk terrein. Hun zware schoenen lieten ze uit en alleen gymschoenen trokken ze over hun in kousen gestoken voeten. Hun broekspijpen omwikkelden ze met touw om alle geluid van het schuren tijdens hun nachtelijke sluiptocht te voorkomen. De vechtmessen bonden ze vast aan hun dijbenen. Hun enige wapens waren de Uzi machinepistolen. Reserve munitie in de grote zakken van de strakgebonden broeken. Daarna maakte ze hun gezichten, hals en handen zwart met camouflagestiften. Hun horloges aan de binnenkant van hun pols om elke schittering te voorkomen. De drie mannen waren er klaar voor om op verkenning uit te gaan. Het zou een lange nacht worden als ze bij het vijandelijk bivak hun posten in gingen nemen.
"Onze post langs de rivier op de hoogte?" vroeg Zwijgers aan de sergeant
"Alles is geregeld," fluisterde Loppes terug. "Jullie kunnen veilig oversteken."
De mannen draaiden zich om, maar de sergeant zei nog. "Doe rustig aan mannen, jullie hebben nog ruim vijf uur voor het licht wordt." De sergeant leek even te aarzelen terwijl hij de marinier eerste klas aankeek. "Wije, dat geldt ook voor jou. Geen onnodige risico's. Succes."
Zwijgers zei kortaf. "Wije, op kop. Meurs achter mij. Nu koppen dicht."
Achter elkaar liepen de drie mannen naar de kleine rivier. Gesproken werd er niet meer. Nog slechts af en toe een hand op de schouder van de ander. Een simpel gebaar was genoeg om duidelijk te maken wat de bedoeling was Nog even klonk er het geluid van opspattend water en waren hun schimmen bij het oversteken van de rivier te zien. Toen slokte het donkere oerwoud hen op.

Commentaren: 0