PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S - 9

MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN

Bijna geruisloos bewogen de mannen door het duistere oerwoud. Hoe meer ze de tweede rivier en het vijandelijke bivak naderden des te voorzichtiger bewogen hun voeten. Met hun gympen tastten ze de grond af om daarna pas hun voeten neer te zetten. Hun armen hielden ze voor hun gezicht om laaghangende takken opzij te duwen, hielden deze even vast voor de volgende man en gingen dan weer verder. Eindelijk klonk het donderend geraas van de andere rivier en ze konden zich even permitteren om zich vrijer te bewegen en te ontspannen. Eindelijk bereikten ze de open plek en toen pas voelden ze de regen. Rustig knielden ze in de bosrand en bespiedden de andere zijde van het water. Wije was de eerste die de vijandelijke post zag. Rustig legde hij zijn hand op Zwijgers schouder. Hij strekte zijn arm en stak een vinger op. "Nummer een." Door het geraas van de rivier konden de mannen het zich wel permitteren om met elkaar te praten. "Wat een klootzakken. Precies op de open plek langs het water achter die rotsen. Voor ons prima om hem te naderen." De mannen trokken zich enkele meters terug het oerwoud in.
"Meurs, jij blijft hier. Wije en ik gaan stroomafwaarts de rivier over en zoeken de andere posten. Daarna kom ik terug." De korporaal keek Meurs aan. "Het kan wel een tijd duren, oké?"
Meurs zei niets en ging in de bosrand in stelling. Ook voor hem zou het een lange nacht worden. Wachten. Voor hem het ergste dat er was .
De korporaal en Wije trokken nog verder terug het oerwoud in en volgden de nu woeste rivier stroomafwaarts. Aangelijnd staken ze over naar vijandig gebied. Opnieuw werd er niet gesproken. Een enkel gebaar was voldoende.
De regen nam toe en grijnzend keken de mannen elkaar aan toen ze een kleine open plek bereikte. Voorwaarts ging het weer. Ze naderden het bivak van de para's en langzaam zakten ze op hun knieën. Met hun handen legden ze elk takje opzij en waren dankbaar voor de regen die steeds harder omlaag kwam. Elk ander geluid werd gesmoord door de herrie van de tropische bui. Toen zagen ze hem. Een nauwelijks waarneembare gloed. De post zat diep weggedoken in zijn putje onder zijn regenzeiltje en permitteerde zichzelf een sigaret. Maar voor de mariniers voldoende om hem tot op twee meter te naderen. Het was een enkele man. Volkomen onopgemerkt kropen beide mariniers weer naar achteren. Zwijgers gaf opnieuw een teken. Wije kroop nog verder terug, terwijl Zwijgers met een boog de post passeerde en naar het bivak sloop. Het leek uren te duren. Ook Wije was opnieuw in beweging gekomen. Op zijn buik schoof de marinier voorwaarts. Elk takje, dat zijn tastende handen tegenkwamen, legde hij opzij. Geen geluid van zijn voortbewegende lichaam verbrak de stilte. Alleen het alles overheersende geluid van de neerstromende regen was zijn metgezel. De marinier was nooit eerder in zijn leven zo blij met dit geschenk uit de hemel. Opnieuw leek er geen einde te komen aan zijn tocht door de duisternis, maar toen lag de eenzame marinier midden in het bivak naast de commandopost. Door een para bemand. Daar wachtte de marinier op het aflossen van de posten. Tot zijn verbazing zag hij dat slechts twee man gingen aflossen. De man in de commandopost liep waarschijnlijk dubbele wacht. Een liep naar de rivier, de ander naar de post die hij was gepasseerd. Hij wist voldoende, wachtte nog een tijd en kroop terug naar de korporaal. Opnieuw was een enkel gebaar voldoende en beide mannen zochten de rivier op en staken deze over. Terug bij Meurs hielden ze een korte bespreking.
"Oké Meurs, het is nu tijd voor jou. Je hebt nog twee uur voor het licht wordt." De korporaal legde zijn hand op de schouder van de Limburger. "Dat moet voldoende zijn. Ik blijf hier op jullie wachten, Wije gaat terug naar het bivak van die para's. Jij brengt de sergeant en de mannen tot hier. Oké?"
Meurs grijnsde even, iets dat in de stromende regen slechts vaag te zien was. Daarna stond hij op en verdween in het oerwoud. Voor de korporaal en Wije werd het weer een tijd van wachten. Maar dat waren deze nu wel gewend. Een groot deel van hun acties bestond uit wachten.

Zo snel hij kon, maar zonder al teveel herrie te maken, ging Meurs terug naar hun eigen bivak. Bij de rivier wachtte hij even en zijn ogen zochten de post die net binnen de bushrand langs de rivier moest liggen. Zachtjes naderde hij. "Meurs hier," riep hij niet al te hard. "Niet schieten, ik kom eraan."
"Oké Meurs, kom langzaam naar voren tot ik je kan zien." Het was de gedempte stem van de sergeant en langzaam liep Meurs naar voren. Hij hoorde de klik van een veiligheidspal die werd omgezet. "Prima Meurs, ik zie je. Kom maar verder.” Meteen kwam de sergeant, die bij de schildwacht had gelegen overeind en samen gingen ze naar het bivak.
"Goed gedaan marinier, wees blij met deze regen. Moet je koffie?" De sergeant pakte de kan koude koffie en schonk voor beide in. "Zeg het maar."
"Twee posten, sergeant. Een langs de rivier op 'n open plek. Een tweede landinwaarts precies aan de andere kant. Plus de commandopost."
"En de korporaal?"
"Die wacht ons op aan de rivier." Meurs was blij met de koffie en vroeg de sergeant om een sigaret. Die van hem had hij niet meegenomen omdat er op zo'n tocht niet gerookt kon worden. Met zijn mes maakte hij een schets van het bivak. "Ze hebben geen tenten sergeant, maar slapen op verhogingen onder palmbladeren. Wije ging terug naar de post aan de andere kant van het bivak. Om precies tien over vijf maakt hij de post onschadelijk. Ze lossen elkaar op de hele uren af."
"Prima werk van jullie. Ik ga de mannen porren, maak je uitrusting in orde. Over een 15 minuten trekken we hier weg." De sergeant keek op zijn horloge en liep langs de onderkomens van zijn mensen. Enkele minuten later heerste er grote bedrijvigheid in het bivak. Slaperige zaten de mannen voor hun tenten en inspecteerden hun wapens. Snel werd er nog een bak warme koffie gedronken. Ze konden het zich nu wel permitteren om kleine vuurtjes te stoken om nog iets warms naar binnen te werken.

Terwijl de mariniers in hun eigen bivak bezig waren zich gereed te maken voor de aanval hielden de korporaal en Wije zich schuil in de bosrand. Ze konden de vijandelijke post aan de andere zijde van de rivier duidelijk zien toen deze werd afgelost. Grote rotsblokken zouden Zwijgers voldoende dekking geven als deze de rivier zou oversteken. Bijna tot aan de post lagen deze verspreid langs de oever. Zolang het bleef regenen zou het niet al te moeilijk zijn om de para op de andere oever te besluipen. Beide mannen keken tegelijk op hun horloge. De korporaal stak zijn hand op en wees naar de overkant. Nog steeds kwam de tropische bui met bakken naar beneden en ook het lawaai van de wild stromende rivier smoorde elk geluid. Maar de mannen waren er niet minder voorzichtig om. Beiden stonden op en met een grote boog naderden zij het wild kolkende water. Rustig bond de marinier een lijn om zijn middel. De mannen keken elkaar aan, schudden handen en voorzichtig liep Wije het water in. Door de vele regen stroomde deze zo hard dat hij bijna werd meegesleurd. De korporaal hield de lijn strak en vierde langzaam mee terwijl de marinier zich van rotsblok naar rotsblok bewoog. Eenmaal aan de overkant maakte Wije los, keek nog eenmaal achterom en verdween in het oerwoud . Een vreemde spanning maakte zich van hem meester nu hij volkomen op zichzelf was aangewezen. Het was niet zijn eerste actie om een vijandig bivak te besluipen, maar nu was hij erop uit om de post onschadelijk te maken. Meestal bestonden zijn eenzame acties uit het verkennen van de vijand die zich had ingegraven. Maar nu was het noodzakelijk om de eerste klap hard uit te delen zodat de aanstormende mariniers door hun geringe aantal niet op onverwachts verzet zouden stuiten. Op zijn buik naderde hij de vijandelijke post. Elk takje opzij leggend die zijn tastende handen vonden. Tot op twee meter afstand naderde hij de para, die zich van niets bewust onder zijn poncho schuilhield. Half vijf.

De sergeant liet geen van de mariniers als bewaking in het bivak achter. Ze hadden immers elke man hard nodig, al zouden ze de vijandelijke parachutisten in hun slaap verrassen. achter elkaar lopend trok de kleine eenheid door het oerwoud dat door de vele regen was veranderd in een grote modderpoel.
Takken striemden de mannen in hun gezicht en af en toe klonk er een nauwelijks onderdrukt vloeken. Het tempo lag hoog nu ze alleen maar hun wapens en patroon gordels bij zich hadden. Glibberend over natte boomstammen die hun weg versperden gingen ze voorwaarts in een bos waar ze zelfs de man voor hen niet konden zien. Toen ze halt hielden was het dan ook ineens en de mannen botsten tegen elkaar. Maar nu werd er niet gevloekt. De goed getrainde mariniers wisten dat ze de vijand naderden en automatisch zochten ze dekking in de prut. Zelfs Zwijgers, die nog steeds bij de rivier lag, had de mannen niet horen aankomen.
"Zwijgers, hoe is het. Zijn er nog veranderingen?" De sergeant kroop op zijn buik naar voren en tuurde over het water. "Het is te hopen dat het nog een tijd blijft regenen."
De korporaal reageerde hier niet op en wees met zijn arm naar de post aan de andere kant van de rivier. "Hij ligt daar, precies achter die grote rotsblokken. Ik ben bij hem voor hij weet wat hem overkomt."
"De rivier stroomt te hard door al die regen."
"Ik heb mijn route al uitgezet. Iets stroomopwaarts steek ik over en nader van achter. Daar heb ik prima beschutting door al die rotsblokken."
"Het zijn klootzakken dat ze hun post langs de rivier hebben. Ze voelen zich nogal zeker, terwijl ze kunnen weten dat wij ook in dit gebied zitten. De rivier overstemt ieder geluid. Het zijn klootzakken," herhaalde de sergeant terwijl hij op zijn horloge keek.

Volkomen onbeweeglijk lag Wije op zijn buik. Hij grijnsde toen hij de aansteker hoorde en de gloed zag van het oplichten. De man deed moeite het gloeien af te dekken. Steeds opnieuw lichtte een vage gloed op als de para een trek van zijn kretek nam. De post had zijn poncho over het putje heen gelegd , maar het kleine spleetje waar hij doorheen gluurde verraadde elke handeling. De seconden gleden eindeloos traag voorbij. De sigaret werd gedoofd. Wije voelde het zweet op zijn rug ondanks zijn, door de regen, natte uniform. Eindelijk de aflossing. De para's voelden zich volkomen veilig. Duidelijk verstaanbaar hoorde Wije. "Slamat tidur," tegen de afgeloste post zeggen, toen deze uit het putje kroop. Heel even zag Wije het gezicht van de man die zijn plaats innam. Een jonge kerel. Misschien van zijn leeftijd of zelfs jonger. Wije lag op nog geen meter van de stelling en besefte dat het niet langer een volkomen onbekende was. Dat gezicht. Zijn eigen mannen waren van die leeftijd. Toen waren Wije en de para in de stelling, alleen. Drie minuten over vijf. Volkomen geruisloos gleed Wije naar voren. Opnieuw bleef hij stil liggen. Zes over vijf. Nog vier minuten over. Strekte een arm. Hij trok zijn benen onder zich om af te zetten.

"Oké Zwijgers, tijd voor jou. Moet je niemand mee hebben?" De sergeant keek de korporaal niet aan, maar bestudeerde aandachtig de andere kant van de rivier. De post zou over dertig minuten afgelost worden en die tijd had de korporaal hard nodig om tot actie over te gaan. Het regende nog steeds hard. Niet dat dit geluid, zo dicht bij de rivier belangrijk was, maar de vijand zou wel zijn kop weghouden. Ondanks de grote afstand, ruim twintig meter, zagen ze af en toe het oplichten van een aansteker. De mariniers begrepen dat niet. De para's waren goed getrainde lui en toch rookten ze op hun post.
"Die klootzakken voelen zich wel verdomd zeker," mompelde de sergeant. "Ze verdienen het gewoon om te sterven." De sergeant grijnsde zelfs even toen hij zei. "Dat zal die Tor van een Wije wel bevallen. Een rokende para in zijn eigen sigaret laten stikken."
De sergeant voelde zich onbehaaglijk zo vlak voor de actie. Hij had al teveel doden gezien. En de meeste nog zo jong. Voor hem hoefde het allemaal niet meer. Maar wat kon je anders, zo vlak voor een pensioen van dertig dienstjaren. Hij zelf wilde zeer zeker niet sterven. Wanneer had hij in zijn leven nou eigenlijk tijd gehad voor zijn vrouw. Zelfs de kinderen waren al de deur uit zonder dat hij ze echt had zien opgroeien. Het liefst blies hij de hele actie af. Of wilde het in ieder geval aan zijn korporaal overlaten. Maar ja, het hoofdkwartier. Die beslisten anders. Hij, sergeant Loppes, moest de vijand opruimen. En dat twee jaar voor zijn pensioen. De sergeant ordende zijn gedachten weer en hoopte maar dat de ongerustheid niet te horen was toen hij de tactische vraag stelde. "Weet je zeker dat er maar, buiten de commandopost, twee andere posten zijn? Anders lopen de jongens straks tegen zwaar vuur aan."
Zwijgers begreep wat er in zijn maat omging. Zelf was de korporaal, na zijn scheiding, niet meer getrouwd. Hij ging te vaak en te graag met de vrouwtjes naar bed. Een nieuw huwelijk zag hij dan ook niet meer zitten. Hij zag al teveel echtscheidingen bij het Korps. Bovendien moest hij, nee kon hij, nog tien jaar dienen. En misschien was dit wel de laatste echte oorlog die Nederland nog voerde. Hij wilde daaraan meedoen. Maar ja, de sergeant. Die wist amper nog hoe zijn vrouw en kinderen eruit zagen, laat staan kennen. Die kerel zat twee jaar van zijn pensioen af. En wie wilde er dan nog sterven ?
Hij legde zijn hand op de schouder van de sergeant. "Zit wel goed kameraad. Wije en ik pakken de posten op de afgesproken tijd. Wije wacht nog tien minuten en schakelt de para bij de commandotent uit. Hij geeft je een rood signaal en zorgt dat hij uit de vuurlinie komt. Dan steek je de rivier over. Om half zes precies vallen jullie aan." De korporaal zweeg een tijdje terwijl hij opnieuw de overkant bespiedde. Toen pas zei hij zachtjes. "En doe mij een plezier, blijf een beetje in de achterhoede." De korporaal meende zijn woorden. Mariniers lullen niet zomaar wat. Maar korporaal Zwijgers dacht wel bij zichzelf. Wat zit ik nu toch te slijmen. Maar ja, het is een ouwe kameraad, die een oppeper nodig heeft. "Verdomme," dacht hij ineens. "Naar de hel met iedereen. Er is werk te doen."
Loppes zei niets meer en gaf met zijn hand alleen maar een teken aan de korporaal dat deze moest gaan. Zwijgers kwam overeind en terwijl hij in de bushrand bleef sloop hij gebukt weg. Ook hij was er klaar voor op zijn opdracht uit te voeren. Doden op de korte afstand.
Met alleen marinier Grient, begaf Zwijgers zich weer naar de kolkende rivier, Knoopte de lijn om en gaf Grient een seintje deze langzaam te vieren. De stroom was wild en met moeite hield de korporaal zich vast aan de rotsen. Het water kolkte en af en toe werd hij bijna meegesleurd. De marinier die de lijn moest strak houden dacht door de kracht van het trekkende water een teken van de korporaal was om te laten vieren. De glibberige rotsen boden weinig houvast en ineens verloor Zwijgers zijn evenwicht. Hard werd zijn lichaam meegesleurd en verdween onder water. Hij sloeg tegen een rots, wist zich vast te klemmen en zag dat hij opnieuw met zijn oversteek moest beginnen. Met al zijn kracht, vechtend tegen het kolkende water dat aan zijn lichaam trok, wist de korporaal zich op een rots te trekken. Zwijgers oriënteerde zich en zag dat hij precies tegenover de vijandelijke post om de rots lag. Het viel niet meer te veranderen en klimmend langs en over de rotsen ging hij voorwaarts. Eindelijk kwam hij in rustiger water, boog af naar rechts en kroop op de kant. Uitgeput bleef hij een tijdje liggen tot zijn ademhaling weer normaal was. De aangebonden lijn hing nutteloos in het water, maar hij zekerde deze toch mocht het andere uiteinde alsnog vastzitten. Ondanks zijn situatie moest hij grijnzen, wat volgens hem een goed teken was. Hij zou de Grient eens flink op zijn donder geven omdat deze zijn korporaal bijna had laten verzuipen. Opnieuw oriënteerde Zwijgers zijn positie. Hij zat een flink eind van de vijandelijke post vandaan met nog tien minuten voor hij in actie moest komen. Tien minuten maar? Zwijgers schrok ervan en begreep dat de rivier teveel van zijn tijd had gekost. Op dat moment zag hij de posten wisselen en maakte gebruik van hun onoplettendheid. Snel bewoog hij zijn pijnlijke lichaam, onder bescherming van de rotsen langs de rivier, naar voren. Toen dook hij weg. Maar slechts voor enkele minuten. De afgeloste wacht riep nog iets naar zijn makker en verdween in het oerwoud. De korporaal had nog vijf minuten. Opnieuw bewoog hij op zijn buik naar voren. De laatste rots tussen hem en de vijand die onder zijn poncho zat weggedoken. Hij kon hem al bijna aanraken.

Sergeant Loppes tuurde ingespannen over het water toen eerste klas Van Dalen zich naast hem tussen de struiken liet zakken. "Grient is terug, sergeant."
"Prima, dan kunnen we ons gereed maken." Loppes draaide zich niet naar de marinier toe, maar bleef de vijandelijke post in de gaten houden. Hij zag de aflossing, maar verder niets .
"De lijn sergeant..." begon Van Dalen .
"Wat is er met die lijn?" Loppes wilde verder niet gestoord worden en kroop naar achteren om zijn mannen te waarschuwen .
"Grient heeft de lijn laten schieten."
"Godverdomme," vloekte Loppes die gewoonlijk zulke termen niet gauw gebruikte. "De klootzak. Dat zal Zwijgers fijn gevonden hebben." Talloze gedachten gingen door zijn hoofd. "Wat verdomme, als Zwijgers het niet gehaald heeft?" siste hij tegen de eerste klas. Het begon te spoken in zijn hoofd. "Inderdaad," dacht de sergeant. "Wat als Zwijgers de wacht aan de overkant niet heeft uitgeschakeld. Zijn mannen, zijn eigen leven, ze renden de dood in als de post op de andere oevers niet was uitgeschakeld." De sergeant bestudeerde peinzend de andere oever. "Ik moet het afgelasten," mompelde hij voor zich uit.
"De korporaal is goed sergeant. Hij heeft het wel alleen gered. Al die rotsblokken in de rivier geven hem genoeg kansen zichzelf te redden." Van Dalen keek naar opzij, maar begreep de twijfel van de sergeant. Al vond hij Loppes een klootzak, diezelfde klootzak wilde zijn mannen en vooral zijn eigen leven niet in gevaar brengen. "Mijn god," dacht de sergeant. "Wat moet ik beslissen?"
- - 0 - -
Ineens miste Wije iets. De plensbui was opgehouden en af en toe druppelde het nog na. Tussen de takken van de bomen drong af en toe het licht door van de gesluierde maan. Ook de vijandelijke para hoorde niet langer de neerslaande herrie van de regen en trok zijn zeiltje weg. Wije lag met zijn hoofd bijna in de modder en gluurde naar de man. Toen hoorde hij opnieuw de aansteker. Enkele malen achter elkaar, maar hij vlamde niet op. Totaal onverwacht kroop de para uit zijn putje. De man wilde naar het bivak lopen. Tussen de marinier en de para, het putje. Het leek één beweging die Wije maakte. De man deed een stap. De marinier sprong met zijn knie in de rug van de para en rukte het lichaam naar achteren. Zijn linkerhand op de mond smoorde elk geluid terwijl hij met zijn schouder het hoofd naar voren ramde. Wije voelde het breken van de nek meer dan hij hem hoorde. Toen liet hij de para omlaag glijden. Heel even bleef de marinier liggen, toen ging hij op zijn buik verder het bivak in. Naar de commandopost.

De regen was opgehouden, maar het donderende geraas van de rivier overstemde elk geluid. De para gooide zijn poncho naast het putje en kroop omhoog. Lui strekte hij zich op zijn buik uit, op het zeiltje.
Het was eenvoudig. De korporaal liet zich naar voren vallen en het mes drong, schuin naar beneden, diep tussen de schouderbladen naar binnen. Zwijgers bleef een poosje liggen en tuurde over de rivier waar zijn eigen mensen zich bevonden. Hij dacht terug aan zijn oversteek door het wilde water en de slappe lijn. Hij moest niet vergeten Grient flink op zijn donder te geven Ineens drong het tot Zwijgers door dat de sergeant de melding moest hebben gekregen dat de lijn was losgeschoten. Met alle risico's die erbij hoorde .Loppes zou misschien twijfelen. Natuurlijk zou Loppes twijfelen. Denkend dat de korporaal met het water was meegesleurd. Hij zou de aanval afgelasten. Zwijgers keek op zijn horloge. Nog vijf minuten, dan zou Wije het signaal geven en de sergeant zou niets doen. De korporaal ordende zijn gedachten. Hij moest iets doen om de aandacht te trekken. Nog vier minuten. Op zijn buik sloop Zwijgers tot voor het bivak, wachtend op het rode signaal.

De sergeant had nog geen beslissing genomen. Zijn mannen lagen langs de bushrand gereed om "iets" te doen. Van Dalen lag naast de sergeant en beide mannen wachtten op het signaal.
"Als ik niet oversteek," dacht Loppes: "Begrijpt die stomme Wije hopelijk dat er iets mis is en terugkeren. Eerst kijken of we Zwijgers ergens langs de kali kunnen vinden. Dan naar het bivak, breken op en trekken ons terug. Maar mariniers vluchten niet. Nee verdomme, die trekken tactisch terug. Maar wat als de korporaal het toch flikte zijn post uit te schakelen? Dan bracht hij beide mannen in gevaar. Het was moeilijk."
"Kijk sergeant," onderbrak Van Dalen zijn gedachten. "Het signaal."
Tussen de bomen lichtte het vage rood puntje op van een afgedekte lantaarn .
"Godverdomme," siste de sergeant die al zoveel had meegemaakt.
"Sergeant, het licht komt naar voren."
De sergeant kneep zijn ogen tot spleetjes, tuurde naar de overkant en keek toen omhoog naar de laatste wolkjes die voor de maan wegtrokken.
Het rode lichtpuntje bewoog zich zijwaarts, naderde langzaam de oever en bewoog verder in de richting waar de vijandelijke post moest zijn .
Toen brak de maan door de wolken en verlichte de oever waar beide mariniers langzaam naar het water liepen.
"Godverdomme," vloekte de sergeant nogmaals. "Het is ze gelukt, die kloothommels."
"Oké mariniers," gaf de sergeant door naar achter. "De rivier over. En snel." Geheel overbodig liet de sergeant erop volgen. "En koppen dicht, voorwaarts."
Marinier Sijne, de gewezen betonvlechter greep de lijn en begon de oversteek. .Meurs, volgde als tweede zijn maat. Toen volgde de rest van de eenheid langs het gespannen touw. Het was ondanks de lijn een gevecht tegen het wilde water dat kolkend aan hun lichamen rukte. Toen gebeurde het ongeluk. Weer was het marinier Grient die een onvergeeflijke fout maakte. Zijn wapen stond al op scherp toen hij in de golven verdween en de schoten alarmeerden de vijandelijke parachutisten. Gelukkig was marinier Grient de laatste die de rivier overstak. In een golf van rennende en struikelende lichamen bestormden de mariniers, die op de oever gereed lagen, het bivak. Het werd een snelle, harde actie. Enkele para's gaven hevig tegenvuur maar konden niet voorkomen dat de meeste van hen sneuvelden. Twee Peloppers werden gevangen genomen. Ze waren goed, die jonge mariniers. Zelf hadden ze, op marinier Grient na, geen enkele dode of gewonde. En zelfs deze marinier was er alleen maar vanaf gekomen met enkele blauwe plekken en schaafwonden. Dus eigenlijk hadden ze dus toch nog een gewonde. Maar ja, daar stonden ze niet al te lang bij stil. Grient was nu eenmaal een klootzak.
"Oké mariniers," brulde Loppes krachtig. "Van de doden geen last. Begraaf ze maar, ze stinken nu al." Ja, Loppes was een goed marinier .

Commentaren: 0